|
Interview met Kholoud Ajarma en Rich Wiles
“Ze vernietigen zichzelf geestelijk.”
Kholoud Ajarma. Kholoud betekent onsterfelijk. Ze is 20 jaar, een vrijwilligster van het Lajee Centrum, het cultureel jongeren centrum van Aida Kamp, nabij Bethlehem. Kholoud Studeert Engelse literatuur aan de Universiteit van Bethlehem. Het centrum werd zes jaar geleden opgericht, na het begin van de tweede intifada. In het kamp leven 4700 Palestijnen, meer dan 50 procent is onder de 18 jaar.
‘Voorheen hadden de kinderen geen plaats om naar toe te gaan en geen organisatie die hen opving. Het initiatief ging uit van een groep vrienden in het kamp. Ze begonnen thuis getraumatiseerde kinderen die het slecht deden op school bijles te geven. Met behulp van internationale organisaties organiseerden ze zomerkampen waardoor ze in contact konden komen met Palestijnse vluchtelingen in Syrië, Libanon, Jordanië en Palestina. Gaandeweg slaagde een Italiaanse vrijwilligster erin fondsen in Europa aan te boren waarmee het centrum kon worden opgericht. Vrijwilligers geven er nu zang- en danslessen voor jongens en meisjes samen want we hechten er veel waarde aan dat ze gezamenlijk aan een project meedoen, er moet gelijkheid zijn. Er zijn lessen in de geschiedenis van de Nakba, de massale verdrijving in 1948, lessen over de Palestijnse cultuur, en een Australische vrijwilliger begon met een computerprogramma, waardoor de kinderen via internet contact met de buitenwereld hebben. Er is een bibliotheek aangelegd met boeken over politiek, geschiedenis, recht en er zijn zelfs romans in het Engels. Er wordt Engels onderwezen omdat een tweede taal heel belangrijk voor ons is, zo kunnen we contact maken met buitenlanders.’ Er is een voetbal- en volleybalteam. ‘We leren de kinderen de rechten van vluchtelingen en hoe hun familie vluchteling werd. We maken een tijdschrift voor onze vrienden buiten Palestina om hen te informeren over wat er in het kamp gebeurt. Dat financieren we met geld van vrienden in Europa, de VS, Australië. We leren de kinderen over mensenrechten in Palestina, over de rechten van het kind, zoals die in het Verdrag betreffende de Rechten van het Kind zijn vastgelegd. Rich, die uit Engeland komt, heeft de kinderen leren fotograferen en een tentoonstelling laten maken over het kamp en de rechten van het kind. Hij doet dat om de kinderen te leren zich niet alleen in woord maar ook in beeld uit te drukken over bijvoorbeeld de muur, die ons hele leven beheerst. We hebben een project waarbij kinderen de geschiedenis van Palestina leren door ze hun grootouders te laten interviewen over hoe het vroeger was en over het recht op terugkeer. Het project heet Dromen van Thuis, op die manier blijft de geschiedenis levend. Om de verhalen te illustreren maakten ze foto’s van wat hun vluchtende grootouders in 1948 met zich mee hadden genomen. En tenslotte werden de kinderen naar de dorpen gebracht waar hun voorouders hadden geleefd. Hun eigen ouders konden dat niet, aangezien zij geen vergunning krijgen om bezet gebied te verlaten. Daarom namen internationale vrijwilligers, die wel toestemming hebben, de kinderen mee. Het bleek dat sommige dorpen volledig waren verwoest of dat de dorpen joodse nederzettingen waren geworden, sommige kinderen die oude foto’s hadden gezien konden niets herkennen van vroeger. Wij doen dit project met kinderen onder de zestien, want die hebben nog geen identiteitsbewijs en kunnen dus langs de militaire controleposten. Boven de zestien lukt dat niet, dan zit je hier permanent opgesloten.’ Er zijn schilder- en tekenlessen. Op de vraag wat het exacte doel van al deze activiteiten is, antwoordt Kholoud: ‘De kinderen zijn de toekomst van de Palestijnen. Als kinderen niets van hun rechten weten, niets van hun geschiedenis, hoe kunnen ze dan later voor onze vrijheid opkomen? Hoe kunnen ze dan inhoud geven aan ons verlangen en ons recht op terugkeer? Daarom moeten ze leren hoe ze hun hoop en verlangen en hun rechten kunnen verwoorden en verbeelden, ze moeten leren te communiceren. Ik heb dat hier allemaal geleerd. Vijf jaar geleden volgde ik in dit centrum een cursus antropologie, opgezet door een Amerikaanse vrijwilliger. Die leerde ons zes maanden lang interviews maken met bejaarde Palestijnen. Ik heb er veel van geleerd. Helaas hadden we geen geld om er een boekje van te maken. Het staat wel allemaal op papier. Ikzelf geef nu computerles, zodat de kinderen in met anderen in de wereld kunnen communiceren.’
Rich Wiles, Britse fotograaf uit Yorkshire, vrijwilliger: ‘Het bijkomende belang van een centrum als dit is dat kinderen kunnen worden opgevangen. Palestijnen in vluchtelingenkampen hebben grote gezinnen en kleine huizen. Er moet een plaats zijn waar de kinderen naar toe kunnen, want de straat is levensgevaarlijk, kinderen kunnen er worden doodgeschoten door het Israëlische leger, dat hier regelmatig binnenvalt. Het is onmogelijk om kinderen de hele tijd binnen te houden. En zelfs als dat mogelijk zou zijn, dan nog zijn ze niet veilig. Op 8 december 2006 tijdens lunchtijd werd een 12-jarige buurjongen, Miras Nidal Al Azzeh, vanuit een wachttoren op zeker 100 meter afstand op het balkon van zijn huis neergeschoten terwijl hij met zijn broertje, zusje en neefjes aan het spelen was. De jongen werd in zijn rug getroffen, de kogel kwam er bij zijn buik weer uit. Godzijdank werd geen enkel vitaal orgaan geraakt. De militairen verklaarden naderhand dat ze een gewapende Palestijnse krijger hadden neergeschoten. De slachtoffers kunnen in wezen niets doen. Meestal reageren de Israëlische autoriteiten gewoonweg niet, zodat ze ook niet tot vervolging hoeven over te gaan. Er zijn alleen al in dit vluchtelingenkamp talloze voorbeelden hiervan te geven: kinderen die gedood zijn door soldaten, kinderen van 13 jaar die in gevangenissen met volwassenen opgesloten zitten, die in isoleerruimtes worden gestopt, die gemarteld worden, in een metalen doos van 2 bij 1 meter worden opgesloten in de brandende zon midden in de zomer. Alle kinderen in het kamp zijn getraumatiseerd, geen één uitgezonderd. Dat is ook een belangrijke reden waarom men deze projecten organiseert, om kinderen het gevoel te geven dat ze iets kunnen doen, om hun gevoel voor eigenwaarde te stimuleren. Ze weten dat ze gemarginaliseerd zijn, dat ze niet meetellen, dat ze rechteloos zijn, dat ze als het ware vogelvrij zijn verklaard door een oppermachtige vijand, ze kunnen het kamp niet uit, het is voor hen alsof ze in een gevangenis zitten. Hun ouders zijn werkloos, nu de bewoners van de bezette Westbank niet zonder vergunning Oost-Jeruzalem in mogen en dus niet naar hun werk kunnen. Oost-Jeruzalem was altijd het economische centrum van de Westbank. Midden in de nacht vallen de Israëlische militairen met veel geweld het kamp binnen om mensen op te pakken. Nergens kunnen de kinderen zich veilig voelen. Ze zien hoe hun olijfboomgaarden, die een bron van inkomsten zijn, worden vernietigd door het leger. Ze horen helikopters, tanks, mitrailleurvuur, granaten ontploffen, ze zien hun vrienden en vriendinnetjes getroffen worden door hoge snelheidskogels of door metalen kogels met een rubber laagje eromheen. Elke nacht kunnen kinderen tijdens invallen van het leger opgepakt worden om te worden verhoord. Kinderen zijn gemakkelijker te manipuleren dan ouderen die bekend zijn met de verhoortechnieken. December 2006 heeft het leger hier veel 13- en 14-jarige jongens opgepakt. Vanuit de gevangenis werden berichten gesmokkeld van wat een bepaald kind had verteld. Een van de gevangen kinderen had een lijst gegeven van 30 leeftijdgenootjes die aan geweldloze demonstraties hadden meegedaan. Nachtenlang hebben die kinderen en hun ouders gewacht tot ze van hun bed zouden worden gelicht. De afgelopen achttien maanden schrijf ik hierover en stuur dat naar media over de hele wereld, maar niets wordt gepubliceerd. Toen Miras was neergeschoten e-mailden we hierover wereldwijd een persbericht, maar slechts één Duitse krant besteedde er aandacht aan en stuurde een journalist naar dit kamp, de rest van de media zweeg. Zo gaat het telkens. Het is geen nieuws meer. Het is gruwelijk om te zeggen, maar het gaat hier ‘slechts’ om een Palestijns kind uit een of ander vluchtelingenkamp. Ik heb de situatie de afgelopen vijf jaar dat ik in bezet gebied ben alleen maar zien verslechteren. De bezetting mag voor buitenstaanders minder zichtbaar lijken, maar in werkelijkheid hebben de muur en het volledig afsluiten van de gebieden en de economische ineenstorting in bezet gebied de situatie hier enorm verslechterd. Het is niet alleen die Apartheids Muur, maar wat de Israelische militairen achter die muur uitspoken. De onderdrukking is onvoorstelbaar toegenomen, iedereen zit opgesloten, men kan er niet uit, al jarenlang niet, men kan nergens naar toe. Ook niet vanwege de enorme armoede. Waarom zouden mensen van bijvoorbeeld het Aida Kamp het nabijgelegen Bethlehem bezoeken, wanneer ze geen cent te besteden hebben? De bewoners van Nabloes mogen al jarenlang niet met hun auto de stad in of uit, ze komen niet voorbij de militaire controleposten die aan alle kanten de stad belegeren. Elke dag dringt het leger een vluchtelingenkamp binnen en worden Palestijnen neergeschoten. En dit alles heeft een ingrijpende invloed op de samenleving. Daarentegen zie je hier vlakbij, in het centrum van Bethlehem, geen enkele soldaat, zie je ook geen kogelgaten meer, zoals hier. Bethlehem is een toeristische trekpleister voor christenen uit de hele wereld en daarom laat het leger zich daar niet zien en wordt de boel opgeknapt. Met als gevolg dat de toeristen menen dat er niets aan de hand is. Het is een bewust beleid van de Israëlische overheid om de onderdrukking zo onzichtbaar mogelijk te maken voor de buitenwereld.’
1 | 2
|