Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


Interview met Abel Herzberg

“Democratie wil zeggen dat je de cultuur te verdedigen hebt, dat je bepaalde beschavingsnormen in acht hebt te nemen.”

In 1984 interviewde ik Abel Herzberg, jurist en schrijver, die het concentratiekamp Bergen-Belsen overleefde. Hij was toen 90 jaar oud.

Uit Amor Fati, zeven opstellen over Bergen-Belsen: “Waarom? Omdat de vijand wist, wat de meeste mensen, en de meeste Joden met hen, allang vergeten hadden: jodendom is een beginsel. Het is een elementaire menselijke kracht, een van de grootste, die de mensheid ooit uit zichzelf heeft losgemaakt. En de vijand zocht naar een middel om haar ongedaan te maken.”

“De heiden is niet zo maar een man, die… gestorven is en vergeten werd.. hij leeft voort. Hij leeft in iedereen, ook in de edelman, die zich tot taak gesteld heeft zijn humane neigingen tot ontwikkeling te brengen; ook in de geestelijke, die de waarheid, in de estheet, die de schoonheid, in de wijsgeer, die de verantwoordelijkheid zoekt. Hij leeft ook in de jood. Zelfstandig echter treedt hij zelden op, hij geeft er de voorkeur aan de bondgenoot te zijn van een of ander belang. Hij wacht, als een huurling in reserve, totdat er op een goede dag een doffe roffel wordt getrommeld, die hij zich herinnert uit de dagen van zijn vrijheid. Dan treedt hij aan de dag met zijn onbedwingbaar heimwee naar het oerwoud, waarvan hij zulke schone mythen te vertellen weet. Zijn gastheer luistert en geeft toe… Want in ons allen leeft de heiden onuitroeibaar en in ons allen leeft naast alle liefde de haat tegen de cultuur.”

Abel Herzberg: ‘Ik herinner mij een Scharführer met een hond die op de eerste dag dat we aan het werk gingen tegen ons zei: “Jullie hoeven geen enkele angst te hebben, 75 procent van onze mensen is goed.” Maar de 25 procent die overbleef, daar heb ik het over. Dat waren vijanden. Een andere Scharführer zei: “Wij zijn een arm volk. Jullie zullen ons rijk maken.” Zo was het. Het is niet waar dat alle Duitsers moordlustig waren. Die indruk kreeg ik helemaal niet. En de verschillen waren essentieel. Ik zal je een voorbeeld geven: onze aanvankelijke commandant is ontslagen, werd weggestuurd omdat hij een portret had laten maken door een jood die kon schilderen. Dat is die commandant zo kwalijk genomen dat hij naar het front werd gestuurd. Er zat een zekere menselijkheid in hem en dat mocht niet… Ander voorbeeld. Wij hadden een rechtbank ingesteld, dat was een zeldzaamheid in die kampen. Ik heb daar zelf als advocaat aan meegewerkt. In het begin gebeurde het clandestien, omdat wij bang waren dat ze het zouden verbieden en we ervoor gestraft zouden worden. Maar het kwam toch uit. Diezelfde kampcommandant hoorde ervan en zei toen: “Ja, zoiets begrijp ik wel, wanneer zoveel mensen bijeenleven, moet er wel iets gebeuren. Die rechtspraak is juist.” We crepeerden allemaal van de honger, dus kwam er diefstal voor, vooral onder jongeren, die stalen brood, maar ook kledingsstukken. Er werd veel gestolen, maar er waren weinig dieven, natuurlijk meer dan in de normale maatschappij, maar verreweg de grootste meerderheid ging liever dood dan dat ze van elkaar stal. En omdat het mocht werden de processen openbaar, zelfs Duitse officieren kwamen er bij zitten om te zien hoe het verliep. Zo kregen wij de gelegenheid om hen duidelijk te maken hoe slecht het met ons ging. Maar een andere commandant, Josef Kramer, was heel anders, dat was een echte, die hoorde tot de 25 procent. Als hij een dief te pakken kreeg dan kreeg die Prügel, een afranseling, 25 stokslagen op zijn blote achterste. En dan konden we hem door het hele kamp heen horen schreeuwen van pijn.’

In 1972 schreef Abel Herzberg: “Ik heb nooit begrepen waarom wij de drie oorlogsmisdadigers die we in Brede opgesloten hebben na 25 jaar geen gratie verleenden. Men zegt dat zij geen mensen zijn maar beesten. Laten we niet twisten over het verschijnsel mens en over dat waartoe hij, blijken onze ervaring, in staat is. Laten we ervan uitgaan dat zij beesten zijn, dan blijft toch altijd de vraag nog over: hoe zit het met de dierenbescherming? Waarom is de dierenmishandeling verwerpelijk en strafbaar? Niet omdat het dier subjectieve rechten bezit, zoals de mens, rechten die beschermd moeten worden en afdwingbaar zijn, maar omdat er objectieve plichten bestaan voor die andere wezens, die op twee benen lopen met hun neus in de lucht, trots als zij zijn op hun hogere ontwikkeling. Als zij op grond daarvan de oorlogsmisdadigers van het slag der gevangenen alle rechten willen ontzeggen, en ik ben bereid daarin een eind met hen mee te gaan, hoe staat het dan met die op precies dezelfde grond geschapen rechtsplicht? Geldt die niet meer? Hier zie je wat bedoeld wordt als men zegt dat het in het gerezen geschil niet om de Drie van Breda gaat, maar om ons. Die plicht is immers voor ons geschreven. Het is om onzentwil dat wij geen beesten langer dan 25 jaar op kunnen sluiten in een hok. Je zult zeggen dat het beest ons heeft aangevallen en dat niet hij maar wij beschermd moeten worden. Dat is juist. Dan hadden we hem dood moeten schieten toen we hem grepen. Nu we dat niet hebben gedaan, gaat het niet aan het dier te treiteren tot het sterft, en niet omdat we zo nodig brave Hendrikken moeten zijn of last hebben van sentimentaliteit, maar omdat daardoor wordt tegemoet gekomen aan onze afkeer van wreedheid, welke afkeer, het wordt weleens vergeten, niet meer is dan normaal en gezond. Er bestaat dan ook geen enkele reden om zwaarder te straffen dan nodig is. Het element van wraak in de strafmaat is niet nodig, maar nutteloos, zo niet schadelijk. Misschien is dat alles een zaak van zwakke zenuwen. Het zij zo, wij hebben geen sterkere. Als de nazi’s die wel hadden, en over dit alles anders dachten, is dat hun zaak, maar geen reden voor ons om onszelf ontrouw te worden.”

1 | 2 | 3 | 4