|
Inleiding
“De grote menselijke conflicten bevrijden van de naïeve interpretatie als een strijd tussen goed en kwaad, ze begrijpen in het licht van het tragische, was een enorme prestatie van de geest; het bracht de onvermijdelijke relativiteit naar voren van menselijke waarheden; het maakte de noodaak duidelijk om rechtvaardig te zijn tegen de vijand. Maar het morele manicheïsme heeft een onvernietigbare vitaliteit… Hitler dompelde Europa niet alleen onder in een onbeschrijflijke verschrikking maar beroofde het ook van het tragische levensgevoel. Net als de strijd tegen het nazisme, zou de hele hedendaagse politieke geschiedenis van toen af aan gezien en ervaren worden als een strijd tussen goed en kwaad… Is dit een regressie? Een terugval in de pré-tragische fase van de mensheid? Maar als dat zo is, wat heeft dan een terugval ondergaan? De Geschiedenis zelf, die onrechtmatig in bezit is genomen van criminelen? Of is het onze manier van begrijpen van de Geschiedenis? Vaak denk ik: het tragische heeft ons verlaten; en dat zou weleens de ware straf kunnen zijn.” - Milan Kundera, And If the Tragic Has Deserted Us? (2005).
“De veronderstellingen waarvan het mediabedrijf uitgaat namens het publiek zijn behalve blind ook verblindend… Misschien is het precies op dit punt dat onze vorm van democratie een langzame dood sterft. Als dat zo is, dan als gevolg van een weigering. De weigering van het mediabedrijf om het feit te erkennen en te laten doorwerken dat het publiek in zijn hart weet hoe de wereld in elkaar zit… De reden van deze weigering die een bedreiging is voor onze vorm van democratie, de reden waarom het mediabedrijf stelselmatig onderschat wat we gemeen hebben, die reden is steeds dezelfde: de normloze drang tot verkopen… Wat ik wil is dat mensen zich ervan bewust worden hoe voddig het mediabedrijf ze bedient als publiek. Voddig, omdat met de waardigheid van kijker en bekekene de vloer wordt aangeveegd. Herstel iets van die waardigheid – gun mensen de tijd, verschuif het gebruikelijke zwaartepunt – en slecht nieuws wordt van een onderbreking de waarheid. Er zijn tal van waarheden waarvoor geen directe oplossing bestaat. Het woord ‘oplossing’ raakt niet aan het tragische. Wíj moeten in aanraking komen met het tragische en ons erdoor laten raken. We zouden er misschien door veranderen als we het benoemden. Ook benoemd blijft het tragische tragisch, maar slecht nieuws zou het niet worden. Alleen van daaruit is een realistische politiek mogelijk.” - John Berger, Stemverheffing (1992).
Sinds ik me als journalist/schrijver bezig hou met Israel en Palestina ben ik uitgegaan van het besef dat we hier te maken hebben met een immense tragedie. Een getraumatiseerd volk traumatiseert nu een ander volk, terwijl de werkelijke oorzaak van de tragedie het langdurige Europese antisemitisme is dat uiteindelijk uitmondde in de barbarij van de holocaust. Een van origine christelijk probleem werd in het overwegend islamitische Midden Oosten gedumpt. De Palestijnen moeten de prijs betalen voor de Europese terreur tegen de joden. Dat maakt de Europeanen direct mede verantwoordelijk voor de tragedie. Ook al dragen wij, de mensen van de naoorlogse generaties, er geen schuld aan, wij houden de rechteloosheid van de Palestijnen in stand door onze consequentieloze steun aan de Israelische politiek van expansionisme. Ik zelf ben geboren in 1947, als kind van een vader die vijf jaar lang op een Nederlandse zeeboot tegen zowel de Duitsers als de Japanners vocht en voor zijn moed en trouw, begrippen die nauwelijks meer bestaan in het dagelijkse taalgebruik, meermaals gedecoreerd werd door koningin en vaderland. Mijn moeder was een Schotse die bij de Britse Marva diende, een vrouwenkorps dat een ondersteunende taak had in de strijd tegen de nazi’s. Ze ontmoette mijn vader toen zijn duikboot voor korte tijd in een Schotse bunkerhaven lag. Wat dat betreft ben ik een gezegend iemand, mijn ouders waren helden en hoefden zich voor niets te schamen. Ze hadden iets gedaan, ze hadden voor iets gestaan, ze hadden zich niet laten verlammen door angst, vooral mijn vader niet die al die jaren in een uiterst beperkte ruimte op de rand van de dood had geleefd. Zelf sprak hij nooit over de oorlog. Hij kon het niet. Wel zong hij met mijn moeder tijdens het afwassen de hits van Vera Lynn, de “Sweetheart of the Forces” uit het verleden. Na zijn overlijden trof ik tussen alle spullen een ijzeren kistje aan met zijn medailles, onderscheidingstekens als bewijs van zijn strijd tegen de terreur. Mijn ouders hadden ze mij en mijn zuster nooit laten zien. Dat was onnodig, verzet tegen terreur hoefde niet beloond te worden, het was net zo normaal als ademhalen. Niet dat mijn ouders radicalen waren, geenszins zelfs, ze waren uiterst gematigde sociaal-democraten die de oude Drees respecteerden. Maar ze hadden zich verzet toen het moest, toen de beschaving ten onder dreigde te gaan. Dit in tegenstelling tot vele anderen, en daarmee bedoel ik niet alleen de mensen die op de een of andere manier collaboreerden, of vanachter de vitrage toe hadden gekeken hoe de buren werden afgevoerd, maar ook de joodse overlevenden, die lijdzaam naar de vernietigingskampen waren afgevoerd. De Israelische historica Idith Zertal schrijft over hen: “Overlevenden dragen een soort levenlange schuld, een schuld zowel door zichzelf als anderen opgelegd, juist omdat ze hebben overleefd, juist het kenmerk van het overleven is hun overtreding, het delict te hebben overleefd op een plaats en in een tijd waarin zij geacht werden dood te zijn. Alleen door te sterven – dat wil zeggen zich aan te sluiten bij alle andere doden hoe laat dan ook – kan hen van die schuld ontheffen. Sommigen worden gemarteld door het schuldgevoel niet genoeg te hebben gedaan om de anderen te redden, of om de stervenden te troosten en hun laatste uren draaglijker te maken. ‘[Realistischer] is zelfverwijt, of de beschuldiging te hebben gefaald in termen van menselijke solidariteit,” schreef de Auschwitz overlevende en zijn mythische getuige Primo Levi.” De joodse filosoof Jean Améry, die net als Levi, enkele decennia na zijn bevrijding uit Auschwitz zelfmoord pleegde, schreef: “Een ieder die gefolterd is blijft gefolterd. Een ieder die geleden heeft onder martelingen zal nooit meer in staat zijn om in vrede met de wereld te leven; het walgelijke van de vernietiging wordt nooit teniet gedaan. Het geloof in de mensheid dat al aangetast wordt bij de eerste klap in het gezicht, en vervolgens te gronde gericht wordt door foltering, wordt nooit meer hersteld.” En Jorge Semprun die Buchenwald overleefde beschreef zijn ervaringen aldus: “De dood was niet iets waar we langs glipten, waar we als het ware rakelings langs schoven, iets waarvan we gered werden… We leefden het. Wij zijn geen overlevenden maar geesten… Het is een ongelooflijk feit, dat je niet kunt delen en onvoorstelbaar is… en toch hadden we deze ervaring van de dood.” Of zoals de lijdzaam op de dood wachtende joden van Auschwitz lieten weten: “Wij, die hier aan het sterven zijn in het aangezicht van de onverschilligheid in de wereld, een onverschilligheid zo koud als het ijs van de Noord Pool, wij die vergeten zijn door de levenden, voelen de behoefte om iets na te laten voor de komende generaties – en als dat geen volledige verslagen zijn dan tenminste fragmenten en overblijfselen; wat we voelden, wij de levende doden, wat we dachten en wat we wilden.”
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
|