Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


Onverschilligheid is de grootste zonde, leerden mijn ouders me, de kille onverschilligheid tegenover het lijden van anderen. Door onverschilligheid waren net voor mijn geboorte miljoenen onschuldigen door onverschilligheid vermoord, op een kille fabrieksmatige manier. Vooral mijn moeder bracht me op een onnadrukkelijke manier het besef bij dat zeker bevoorrechte mensen onrecht dienden te bestrijden. Het spreekt voor zich dat deze houding niets zegt over anderen. Immers, ieder mens zit tot op zekere hoogte gevangen in het web van de geschiedenis, de dwang van het verleden, en de wetmatigheid van de zojuist beschreven oorzaak en gevolg. Vrijheid is tot op grote hoogte een mythe. Wat weten wij bevoorrechte naoorlogse westerlingen precies van onszelf, in ons beschermt milieu, waar geen honger bestaat, geen permanente levensbedreiging, geen oorlog? Wat gebeurt er met ons wanneer we van het ene op het andere moment uit ons vertrouwd paradijs vallen, wanneer het ondenkbare ineens realiteit blijkt te zijn? Na de plotselinge dood van haar man schrijft de Amerikaanse journaliste Joan Didion in haar boek Het Jaar van Magisch Denken: “iedereen die met een plotselinge ramp te maken krijgt vertelt dat de omstandigheden waarin dat ondenkbare plaatsvond zo alledaags waren: geen wolkje aan de lucht waaruit het vliegtuig naar beneden viel, de doodnormale boodschappenronde die eindigde op de vluchtstrook met de auto in vlammen, de kinderen die net als anders aan het schommelen waren toen de ratelslang vanuit de klimop toesloeg,” of, om nog een voorbeeld te geven, het moment dat je ouders vanaf het perron naar de gaskamer liepen terwijl de warme zomerzon vrolijk door hun haren scheen. Probeer je je te verplaatsen in de mensen die net in de hel waren gearriveerd, mensen die door Primo Levi en Leonardo de Benedetti beschreven werden in het Auschwitz Rapport: “Moe, hongerig, half slapend, verbijsterd door wat ze al gezien hadden en zich ongerust makend over de onmiddellijke toekomst, maar bovenal angstig over het lot van hun geliefden van wie ze een paar uur eerder plotseling en wreed waren gescheiden, met hun gedachten gepijnigd door sombere en tragische voorgevoelens, moesten ze de hele nacht rechtop blijven staan, met hun voeten in het water dat uit pijpen druppelde en over de vloer liep.” Zelfs op je verjaardag kon je worden vergast, die gedachte, die onvoorstelbare wreedheid van de willekeur, het inferno dat letterlijk om de hoek lag, als het ware midden tussen de gewone mensen die net deden alsof het dagelijks leven ongestoord doorging. Hoe verandert een gedeporteerde die alles ineens verliest, hoe overleeft een slachtoffer psychisch na fysiek de hel te hebben overleefd? Na te zijn grootgebracht in een beschaving, althans zo had de vervolgde al die tijd gedacht? Ineens stonden hij of zij letterlijk naakt op een plein, overgeleverd aan de grootste beulen, in dienst van dezelfde beschaving die hen had leren lezen en schrijven. Verraad is misschien wel het ergste, het kleurt niet alleen het heden, maar ook de toekomst en nog gruwelijker, het verleden. Niets is meer wat het leek, alles is ineens een leugen geworden. Een leven zonder bescherming is angstaanjagend een eenzaam, alleen door vertrouwen kan een mens banden met een ander of een gemeenschap opbouwen. Een fundamentele schending van dat vertrouwen kan ons begrip van de wereld en onze plaats daarin totaal vernietigen. In Israel: een blanco cheque zegt de regisseur Leonard Frank: “Ik ben grootgebracht met een verhaal over verraad. Een hele goede vriend van mijn vader bleek niet zo’n goede vriend. Toen mij vader hem in de oorlog om hulp vroeg, werd hem de deur gewezen. Het is geen voorbeeld waarop men een reëel leven kan baseren, maar ik kan het niet meer los zien van mijn leven als jood in Nederland. Als je, vijf maanden oud, moet onderduiken omdat je anders wordt doodgeschoten of vergast, waar moet je dan je idealen en illusies vandaan halen.” Inderdaad, waar kan geloof in de mensheid dan nog op berusten? In elk geval niet op de Verlichtingsidealen, die ervan uitgaan dat de mens door meer kennis fatsoenlijker gaat leven. En ook niet op een geloof in een barmhartige God. Maar waarop dan wel? Het is logisch dat men dan terugvalt op de groep, op de familie, de stam, het volk waartoe men meent te behoren? De angst voor de wereld en het wantrouwen zijn een geconditioneerde reflex geworden. “De belangrijkste levensles die ik heb geleerd gaat over vertrouwen in mensen,” zei de journalist Max van Weezel, “Dat kreeg je vroeger mee van je ouders als je net na de Tweede Wereldoorlog werd geboren en joods was. Als ik iemand leer kennen vraag ik me af of ik in tijden van nood bij hem of haar zou durven onderduiken, zou ik me bij deze persoon veilig en geborgen voelen.” Overleven is dan de allereerste drijfveer geworden, al het andere is daaraan onderworpen. Het verklaart ook de “ontzagwekkende angst voor de buitenwereld” van de familie van Leon de Winter met “aan de ene kant die minachting van mijn ouders jegens hun niet-joodse omgeving en tegelijkertijd de waanzinnige angst ervoor… Angst, angst, angst… Ik overdrijf niet.” Angst en daaraan onmiddellijk gekoppeld de haat die er bij hem toe leidde dat hij “meer sympathie blijft hebben voor Israelische soldaten dan Palestijnse stenengooiers.” Getraumatiseerde, paranoïde mensen kennen weinig keuzevrijheid, hun handelen is veelal dwangmatig, geconditioneerd als het is door de terreur van vroeger of de herinnering daaraan. Wie stak een helpende hand toe toen de joden werden uitgeroeid? Bijna de hele westerse beschaafde wereld keek de andere kant op, zelfs de spoorlijnen van Auschwitz werden niet gebombardeerd om de deportaties op zijn minst te vertragen. En toen het allemaal voorbij was ging men over tot de orde van de dag alsof er niets gebeurd was. “Ik ben een joodse prinses, te laat uit het ei gekropen. Na ’45, toen alles al voorbij was,” schreef Anet Bleich “Ik was op het nippertje ontsnapt aan een zwart gat. Joden die op commando van Duitsers hun eigen graf hadden moeten graven. Dat was voorgoed voorbij. Daar zou ook ik voor zorgen. Later ontmoette ik Max (van Weezel svh). Net als ik gefascineerd door dat grote zwarte gat in de buurt waarvan we onze jeugd hadden doorgebracht. Die leegte, die nooit als zodanig werd aangeduid, en die ons toch gemaakt heeft tot wie we zijn geworden. We wisselden onze sprookjes uit. Te laat geboren partizanen.” Zo droomt een kind, het droomt dat het degenen van wie het houdt, kan redden. Wie dit gevoel niet begrijpt is harteloos, en tegelijkertijd, wie de leegte als uitgangspunt neemt voor het handelen, wordt tenslotte even harteloos. Het is de angst en de onzekerheid die zovele naoorlogse joodse jongeren verscheurde, onder wie Anet Bleich: “Ik had er voor gekozen om in Nederland te blijven wonen, en die keus was definitief. Maar als ik dertien haar geleden die andere keus had gemaakt, waar had ik nu dan gestaan? Had ik in de loopgraaf gelegen? Waarom zij wel? Op het moment dat daar mensen sneuvelden, had je het gevoel dat ze in jouw plaats sneuvelden.” En zo werd stapje voor stapje Israel “het land dat vrijwel de enige tastbare manifestatie in deze wereld is van joodse identiteit.” Niet de joodse humanistische traditie was de kern van haar identiteit, maar het land, de vlag, het leger dat haar zou beschermen zodra de pogroms weer zouden beginnen. Israel “als symbool van joodse identiteit” was het antwoord op de vraag: wie ben ik? Kritiek op de dagelijkse terreur van de Israelische bezetting, werd serieus gezien als “een nieuw soort antisemitisme” dat “aan het ontstaan was, dit keer van links,” aldus Van Weezel. Het was de herinnering die dit angstbeeld opriep. Het kon domweg niet anders dan antisemitisme zijn, het land vertegenwoordigde immers “de joodse identiteit,” dus kritiek op “de joodse natie” was onmiddellijk kritiek op de joden, “dit keer van links.” En dat was voor Max niet vreemd, “opeens kwam het beeld van mijn opa bij me op, het voorbeeld dat me door mijn ouders was voorgehouden. Opa, die voor de oorlog gewoon links was, en niets van het jodendom wilde weten. En in 1940 aanklopte bij zijn radicaal-socialistische vrienden, die de deur dichtsmeten; ze waren bang. De moraal die mijn ouders uit dit voorval afleidden was duidelijk: verpand niet je hele hart aan links, kijk uit, want je opa was net zoals jij.”

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12