Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


Maar al te vaak wordt genegeerd dat moderne oorlogsvoering vooral geweld tegen burgers betekent. “Hoe wreder het is des te sneller is het voorbij.” Met deze woorden rechtvaardigde William Tecumseh Sherman de oorlogsterreur waartoe hij als generaal in de Amerikaanse Burgeroorlog opdracht gaf. De zuidelijke historicus Shelby Foote wees erop dat Sherman “misschien wel de eerste echt moderne generaal was. Hij was de eerste in de huidige wereld die begreep dat burgers een oorlog ondersteunen en daardoor mogelijk maken, en dat je door het aanpakken van burgers het leger berooft van datgene wat het draaiende houdt. Dus voerde hij bewust oorlog tegen burgers.” Het door president Lincoln gesanctioneerde beleid van collectieve straffen van de burgerbevolking resulteerde onder andere in de totale vernietiging van de infrastructuur van de staat Georgia en het verdrijven van de bevolking, wat de zuidelijke generaal John B. Hood verbijsterd deed opmerken dat hier sprake was van een “ongekende” tactiek van “ingenieuze wreedheid.” Sherman zelf schatte de schade op 100 miljoen dollar voor het merendeel door “eenvoudige verspilling en verwoesting.” Zijn leger ruïneerde 480 kilometer spoorweg, steden en dorpen, talloze bruggen en vele kilometers telegraaflijnen. Door deze terreur vernietigde het leger de mogelijkheid en de bereidheid van de tegenstander om oorlog te voeren. Hoewel het inmiddels door het internationaal recht verboden was, gebruikte nazi Duitsland dezelfde tactiek toen het in mei 1940 het hart van Rotterdam platbombardeerde. En ook de Britten en Amerikanen maakten gebruik van terreurbombardementen om de bevolking van de vijand op de knieën te krijgen. En met dezelfde argumentatie. Zo verklaarde generaal Curtis LeMay van de Amerikaanse luchtmacht tegenover de New York Times dat “als de oorlog ook maar één dag zou kunnen worden bekort” een luchtaanval “zijn doel heeft gediend.” LeMay was zich bewust van de wreedheden en merkte ooit eens op dat “als de Verenigde Staten de oorlog had verloren hij er 100 procent van was uitgegaan dat hij dan zou zijn berecht voor oorlogsmisdaden.” LeMay liet in de nacht van 9 op 10 maart 1945 Amerikaanse bommenwerpers drie uur lang Tokio bestoken met brandbommen, waarbij meer dan 100.000 burgers om het leven kwamen, en meer dan een miljoen mensen vluchtelingen werden. De bemanningsleden van de laatste vliegtuigen rapporteerden naderhand dat ze de stank van verbrand mensenvlees boven de vuurstorm uit konden ruiken. Het was een even meedogenloze oorlogsmisdaad als de twee kernwapens die enkele maanden later op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki werden gegooid, collectieve straffen die werden gesanctioneerd door een president om de bevolking van de vijand te demoraliseren. Ik schrijf dit om duidelijk te maken dat de moderne oorlogsvoering juist tegen de burgerbevolking is gericht. We zagen dit opnieuw tijdens de Golfoorlog en daarna in Irak. Het massale geweld van de Israelische Strijdkrachten verschilt in niets hiervan. Ook deze terreur wordt gesanctioneerd door een in dit geval zionistische elite en is gericht tegen de Arabische bevolking van zowel het bezet Palestijnse gebied als dat van Libanon, die keer op keer collectief gestraft wordt door de Israel Defense Forces. Er is volgens het oorlogsrecht geen wezenlijk verschil tussen een zelfmoordaanslag op een markt in Jeruzalem en het bombarderen van een dicht bevolkte vluchtelingenkamp in Gaza. Als Hamas een bus opblaast en een woordvoerder van de organisatie zou zeggen: onze bedoeling was om een Israelische soldaat te doden die in de bus zat, dan zou iedere westerling ogenblikkelijk beseffen dat dit een absurde bewering is. Maar zodra de Israelische luchtmacht een heel flatgebouw verwoest omdat vermoed werd dat een Hamas-lid daar aanwezig was dan berichten de massamedia dat er sprake was van een “Israelische actie” en slikt een groot deel van het westerse publiek dit klakkeloos. In beide gevallen sterven tientallen onbewapende burgers en is er dus sprake van terrorisme, maar toch wordt door de westerse media een onderscheid gemaakt. Het collectief straffen door het bombarderen van een burgerbevolking is een oorlogsmisdaad, net zoals “het etnisch zuiveren door met geweld massa’s mensen te verdrijven” een oorlogsmisdaad is. En dat de Israelische overheid oorlogsmisdaden begaat en de Palestijnse bevolking terroriseert is geen geheim. Dov Weisglass, één van de belangrijkste adviseurs van Ariel Sharon, zei in 2006: “Het idee is om de Palestijnen op een dieet te zetten, maar niet om ze te laten sterven van honger.”

De absurditeit van het zionisme wordt misschien wel het meest schrijnend getoond in het Israelische kunstenaarsdorp Ein Hod, een toeristische trekpleister die in 1948 etnisch werd gezuiverd en naderhand werd ingenomen door joodse kunstenaars onder aanvoering van de Roemeen Marcel Janco wiens dadaïstische leidmotief was: “Alles moest vernietigd worden… We eisten de tabula rasa. Wij wisten toen dat de holenmens een groot kunstenaar was – en dat we met een frisse start moeten beginnen.” Deze dadaïstische levenshouding, daterend uit de Eerste Wereldoorlog, “verschafte het zionisme een cultureel en intellectueel alibi, een soort absurdistisch cynisme, en een esthetisch vernislaagje om de onverbiddelijke diefstal van alles wat Arabisch was en is,” constateert de vooraanstaande Amerikaanse hoogleraar Antropologie Susan Slyomovics in The Object of Memory. Hoe failliet dit zionistische dadaïsme was bleek ondermeer uit het feit dat Janco en de zijnen hun huizen lieten opknappen door de voormalige Palestijnse bewoners ervan, van wie een deel naar de heuvels boven het dorp was gevlucht en daar in het begin in erbarmelijke omstandigheden overleefden. Ondertussen schreven de nieuwe inwoners van Ein Hod, die blind waren voor de werkelijkheid waarin ze leefden: “Hier is de heuvel met uitzicht over zee, gekroond door oude zonovergoten natuurstenen huizen, is een centrum voor afzondering van de mens in de natuur, voor concentratie, voor vernieuwing. En van hieruit klinkt een oproep aan iedere kunstenaar die het nieuwe en het originele bewondert om naar Ein Hod te komen en deel te nemen aan de ontwikkeling van een Israëlisch kunstcentrum. Wij wisten dat om onszelf te vinden we de stad moesten verlaten voor een plaats waar we eenvoudiger en bescheidener konden leven, om een beetje te tuinieren, om ons enigszins af te scheiden van de samenleving,” terwijl op steenworp afstand de Palestijnse vluchtelingen hun hele bestaan weer moesten opbouwen. Dat feit weerhield Janco er niet van om zich te verliezen in allerlei hoogdravende bespiegelingen als deze: “Een in hoge mate ethische kunst behoort niet aan slechts één geest toe, maar aan de hele wereld… Deze tentoonstelling toont pogingen om de kunst terug te voeren tot het ware leven… Onze compositie moest de oude verhalen en anekdotes vernietigen, ze moesten abstracter worden om het materiaal op een nieuwe diepere wijze te begrijpen.” Aldus de joodse Roemeen vanuit het dorp waarvan de oorspronkelijke bewoners onder geen beding mochten terugkeren van de staat en van de joodse al dan niet dadaïstische kunstenaars, die neerkeken op de mores van de burgerlijke samenleving. Toen eens een nog steeds leegstaande woning door een voormalige Palestijnse familie werd gekraakt, zorgde de dadaïst Janco ervoor dat de “binnendringers” werden verdreven. De Palestijnse vluchtelingen bouwden vlakbij hun oude dorp een nieuw illegaal dorp dat ze Ein Houd al-Jadidah noemden, dat niet door de staat werd erkend en dus geen enkele voorziening kreeg. Slyomovics beschrijft de niet te verzinnen ironie dat “vandaag de dag bossen Ein Houd al-Jadidah… omringen, voor het merendeel pijnbomen waartussen monumenten van natuursteen de gemeenschappen herdenken die tijdens de holocaust werden vernietigd. Critici van de staatsbossen wijzen erop dat tenminste twee doelen zijn bereikt: het herdenken van de joodse doden en het voorkomen dat Arabieren… hun voormalig land gebruiken.”

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12