Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


De evangelist vader Audeh Rantisi, die als 11 jarig kind uit Lydda de etnische zuivering meemaakte, schrijft in zijn boek Blessed are the Peacemakers; the Story of a Palestinian Christian: ‘Buiten de poort stopten de soldaten ons en gaven iedereen het bevel alle kostbaarheden op een laken te gooien. Een jonge man en zijn echtgenote sinds zes weken, vrienden van onze familie, stonden vlakbij me. Hij weigerde zijn geld af te staan. Bijna terloops deed de soldaat zijn geweer omhoog en schoot de man neer. Bloedend en stervend viel hij terwijl zijn bruid schreeuwde en huilde.’ In het boek Doden Mars schrijft hij: ‘Dag drie. Dit was de dag die de meeste doden telde. De hitte voelde erger aan dan ooit, en het gebrek aan water begon zijn tol te eisen. Velen van ons wankelden en vielen neer, dood of stervende in de verzengende hitte. Talloze zwangere vrouwen kregen een miskraam, hun baby’s moesten worden achtergelaten voor de jakhalzen om ze op te eten. Ik kan nog steeds een kind langs het pad zien dat aan de borst zoog van een dode moeder. De vrouw van mijn vaders neef, Yacoub, kreeg zo’n dorst dat ze niet langer meer door kon gaan. Ze stortte op de grond neer en stierf. Niet in staat haar te dragen, wikkelden we haar in een doek en, na een gebed te hebben gedaan, lieten we haar lichaam onder een boom achter… Sommige mensen waren zo dorstig en wanhopig dat ze hun eigen urine dronken.’ Er zijn meerdere verslagen die meldden dat honderden vluchtelingen door uitputting stierven, of door uitdroging en ziekten voordat ze een tijdelijke stopplaats in en nabij Ramallah hadden bereikt. Andere bronnen berichtten dat niet alleen de zon en het onbegaanbare terrein bijdroegen tot de misčre van de verdrevenen, maar ook de moordpartijen onderweg gepleegd door Israëlische soldaten op zoek naar buit. De London Economist: ‘De Arabische vluchtelingen werden systematisch van al hun bezittingen beroofd voordat ze op hun tocht naar de grens werden gestuurd.’ Shmarya Guttman, een inlichtingen functionaris van de zionistische Palmach beschreef de tocht zo: ‘Een grote menigte liep een voor een achter elkaar. Vrouwen liepen beladen met bundels en zakken op hun hoofd. Moeders sleepten kinderen achter zich aan… Af en toe werden schoten gehoord.’ De Israëlische historicus Simha Flapan schrijft: ‘Nu de bevolking was verdwenen gingen de Israëlische soldaten door met het plunderen van beide steden… Zelfs de soldaten van de (socialistische svh) Palmach, van wie de meesten uit de kibboetsim kwamen of van plan waren zich daarbij aan te sluiten namen eraan deel, door het stelen van mechanische- en landbouw apparatuur.’ De Israëlische militairen voerden in totaal rond de 1800 vrachtwagenladingen Palestijns bezit af en Lydda en Ramleh veranderden al snel in ‘voor het merendeel joodse steden’ aldus Morris. Naderhand schreef de Israëlische auteur Yzhar Smilansky een novelle over zijn ervaringen als een jonge functionaris van de inlichtingendienst die in 1948 getuige was van de etnische zuivering. In 1978 werd zijn op deze novelle gebaseerde tv-film door de Israëlische censuur verboden vanwege zinnen als ‘Wij kwamen, schoten, en verbrandden. Verbrandden, oefenden druk uit en verdreven. Zullen de muren niet schreeuwen in de oren van degenen die in dit dorp zullen leven?’ Een ander feit dat in Israël officieel wordt gecensureerd is een uitspraak van Yitzhak Rabin die in 1979 tegenover David Shipler, correspondent van de New York Times, verklaarde dat tijdens de etnische zuivering van Lydda en Ramleh ‘de mannen die deelnamen aan de verdrijvingsactie zeer veel pijn was aangedaan. Onder hen waren jongeren net uit de jeugdbeweging die doordrongen waren van waarden als internationale broederschap en menselijkheid. De verdrijvingsactie schond de beginselen die ze gewend waren. Er waren enkele knapen die weigerden deel te nemen… Langdurige propaganda activiteiten waren na de actie noodzakelijk… om uit te leggen waarom we gedwongen waren om een dergelijke harde en wrede actie uit te voeren.’ Na deze terreurdaad schreef Rabin in zijn dagboek: ‘Psychologisch was dit een van de moeilijkste acties die we ondernamen.’ Ook dit fragment van de toenmalige premier werd door de militaire censuur geschrapt.

Het is deze geschiedenis die de achtergrond vormt van het leven van de hoog bejaarde mevrouw Rasmeya Ahmed Saeed Sharayah. Ze vertelt: ‘Mijn echtgenoot was zakenman, wij hadden een goedlopende zaak in een groot pand. Toen het nog kon, is mijn kleinzoon eens wezen kijken of al ons bezit er nog stond. En ja hoor, het staat er allemaal nog, de joden hebben het nu bezet. Wij zijn met werkelijk niets gevlucht, helemaal niets. We moesten op stel en sprong vertrekken, we dachten bovendien dat het maar voor een korte tijd zou zijn. Zelfs de meest simpele dingen die het leven draaglijk maken hadden we niet meer. De kleinste dingen waaraan een mens zo gehecht kan raken, waren we kwijt. Ik was jong en had twee kinderen, die gered moesten worden. Dat was het belangrijkst. En wat konden we doen? Niemand hielp ons om terug te keren, niemand! En het enige dat we nu kunnen doen is tot God bidden.’ Gaandeweg haar verhaal schreeuwt ze haar verdriet uit, ze kan niet anders zodra de herinneringen aan de trauma worden opgeroepen. Aan het lijden kwam niet alleen geen eind, maar het werd ook nog eens versterkt doordat de wereld haar leed niet erkende. Integendeel zelfs, zij en haar volk werden afgebeeld als onverzoenlijke extremisten die de joden hun land wilden afnemen, terroristen die het kleine arme Israël wilden vernietigen. Het was alsof de Palestijnse burgers de joodse militairen hadden verdreven en bestolen en niet andersom. De slachtoffers werden als misdadigers afgeschilderd. ‘Hoe kon dit allemaal gebeuren?’ zegt ze ‘De Arabische leiders zijn honden. Alle leiders zijn honden, geen één uitgezonderd. Ze lieten dit gebeuren. Men had moeten optreden tegen het grote onrecht dat ons gewone mensen overviel. De Britten lieten het gebeuren, de Arabieren, en nu de Amerikanen, de Europeanen, iedereen liet en laat het gebeuren. We zijn helemaal alleen op deze wereld. Ik moest vluchtten met twee kleine kinderen. We bezaten niets meer, in het begin hadden we zelfs geen water, geen tent, geen eten. In de winter moesten we hout in de bergen sprokkelen om een vuur te kunnen maken, om warm te blijven en het weinige eten te koken. En zelfs nu nog maken de joden het ons moeilijk. Weer bezetten ze ons land en stelen ons bezit. Ze hebben nooit genoeg. En de wereld kijkt toe. Waarom?’ Met haar doordringende heldere ogen kijkt ze me strak aan. ‘Ik heb 9 kinderen gekregen, 6 jongens en 3 meisjes en de enige die ik kan zien is één dochter, die woont hier. De rest is weggegaan, drie zitten in de Verenigde Staten, één zoon studeerde in Egypte en mocht na 1967 niet meer naar huis terugkeren. Twee dochters wonen in Amman en twee in Syrië. Ze mogen de Westbank niet in om me te bezoeken.’ Ze zwijgt, en kijkt me aan. Wat kan ze anders? Met deze feiten zal ik het moeten doen. Dit is haar leven in een notendop. Het liefst wil de oude dame dat we nog wat eten en drinken. De rest is geschiedenis en die kun je toch niet veranderen. Haar stem weerkaatst tegen de kale muren, die pas weer zijn gewit. Op straat onder het raam produceren de kinderen inmiddels een hels kabaal. Ze spelen voetbal.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9