|
Interview met Ali Saleh
“We verlangen niets bijzonders. Het is een doodnormaal streven dat we van Israel een democratisch land willen maken.”
Dankzij een aanhoudende stroom financiële giften kon het Joods Nationaal Fonds (JNF) de afgelopen eeuw 210 miljoen bomen in Israël laten planten, vooral op plaatsen waar eens Palestijnse dorpen stonden. Nadat in 1948 en 1967 de Palestijnse bewoners uit die dorpen waren verdreven, werden hun huizen met de grond gelijk gemaakt. Om de misdaad aan het oog te onttrekken zijn tussen de fundamenten en op het puin pijnbomen geplant. Zes kilometer ten westen van Nazareth in Galilea staat zo’n bos op het land van het in 1948 door Israël verwoeste dorp Ma’lul. Op weg ernaar toe rijdt men tenslotte via een landweg met diepe kuilen door stofwolken langs een ronde betonnen bunker, elektriciteitspalen, hekken en militaire wachtposten, manshoge cactussen, een hardhouten paal met het logo van het JNF en bordjes die terreinfietsroutes aangeven. De laatste honderd meters slingeren de auto waarin ik zit langs grote kuilen in het pad, rechts van ons passeren we een moskee waarvan een deel van de muren is weggeslagen en binnen ijzeren balken het dak stutten. Links een hoog hek met rollen prikkeldraad erop en een rood bord met een witte hand die waarschuwt dat het verboden gebied is. Af en toe rijdt een militair karretje voorbij dat kisten vervoerd. Later zie ik via Google Earth dat er een honderdtal munitiebunkers op deze militaire basis staan. Voorbij het hek loopt een bospad aan het eind waarvan twee Grieks Orthodoxe kerken staan, één is gerestaureerd en weer in gebruik genomen, de ander is vervallen, zonder deuren. Op de okergelen muren staan Arabische teksten geschreven, het stukwerk is op veel plaatsen eraf gevallen, op de vloer van zand liggen uitwerpselen van, ik vermoed, ezels. De iconen van de iconostase zijn verdwenen. In de altaarruimte die erachter ligt, de allerheiligste plaats waar alleen de priester mocht komen, ligt puin. Enkele meters achter de prachtige apsis hangt op het hek van de militaire basis een geel bord met in zwarte letters de waarschuwing: ‘Gevaar Mijnen!’ in het Hebreeuws en Arabisch en merkwaardig genoeg ook in het Engels. Tegenover de kerk zijn nog enkele fundamenten te zien van Arabische huizen. Dahoud Badr, coördinator van de Association for the Defense of the Rights of Internally Displaced Persons in Israël, stelt ons voor aan Ali Saleh, wiens familie afkomstig is uit Ma’lul. Hij vertelt dat zijn dorp in 1948 etnisch gezuiverd werd en de meer dan 800 bewoners naar Nazareth vluchtten, waar hun families nog steeds als vluchtelingen leven. Hun land is niet meer van hen en ze mogen er ook niet naar terugkeren. ‘Toen we vluchtten werd ons toegezegd dat we na een week weer zouden mogen terugkeren. We hadden in die tijd een goede band met de nabijgelegen joodse nederzetting, wij hadden ruimte voor hen gemaakt. Ook de christenen en islamieten leefden hier vreedzaam met elkaar en dat is nog steeds zo in Nazareth. Mijn islamitische ouders werden in deze kerk gedoopt, dat was toen gebruik. Een ander gebruik was dat als een islamiet of christen trouwde één van de getuigen christen was en één moslim, zo bleef eeuwenlang de samenhang gewaarborgd. De dorpelingen wisten dat ze onder de heerschappij van dezelfde God leefden. Dus waarom zouden ze elkaar bestrijden? De zionisten hebben onze huizen verwoest om te voorkomen dat we terugkwamen en om de geschiedenis uit te wissen. Wij bezoeken ons dorp nog steeds, vooral tijdens religieuze feestdagen, met Kerstmis, tijdens Ramadan, op de naamdag van Sint Joris.’ Terwijl we onder de pijnbomen met elkaar praten, arriveert Atif Serhan, het hoofd van vluchtelingengemeenschap uit Ma’lul. Hij is een zacht sprekende man van weinig woorden: ‘Het is een uitermate pijnlijk voor ons om jaar na jaar, generatie na generatie als intern verdrevenen te moeten leven. Ik heb slechts één eis, terugkeren naar het dorp waar ik geboren ben, om er te leven en mijn huis weer op te bouwen. Ik kan niets doen zolang de staat het mij verbiedt in mijn eigen dorp te wonen. In 1953 bepaalde de staat dat wij tegelijkertijd afwezig als aanwezig zijn, en daarom mogen we niet terug. Als belastingbetaler zijn wij aanwezig, als eigenaar van bezit zijn wij afwezig, snapt u.’ De heer Serhan zwijgt verder, de paradox is voor hem voldoende om het onrecht duidelijk te maken. Iedereen in Israël weet welk onrecht de Palestijnen is aangedaan en weet dat al lang. Het was Moshe Dayan geweest die in 1969 publiekelijk verklaarde dat ‘Joodse dorpen gebouwd werden op de plaats van Arabische dorpen. U kent niet eens de namen van deze Arabische dorpen, en ik heem het u ook niet kwalijk omdat de geografieboeken niet langer meer bestaan. Niet alleen bestaan de boeken niet meer, ook de Arabische dorpen zijn daar niet meer. Nahalal ontstond op de plaats van Ma’lul; Kibboets Gvat op de plaats van Jibta; Kibboets Sarid op de plaats van Huneifis; en Kefar Yehushu’a op de plaats van Tal al-Shuman. Er is geen enkele plaats in dit land gebouwd dat geen voormalige Arabische bevolking had.’ De voormalige Chef Staf van de Israëlische Strijdkrachten en minister van Defensie was in Nahalal, op steenworpafstand van Ma’lul, opgegroeid en wist als niemand anders waarover hij het had. Dayan is er ook begraven. Hij kende de verhalen van de vluchtelingen zoals deze: ‘’s Nachts kropen we terug om dat wat we konden vinden op te halen. Ik wilde wat suiker uit ons voorraad halen. Toen ik de ruines van het huis zag werd ik gek… Ik was doodsbang… Het vee ging dood. Wij hadden de gewoonte om dingen op te slaan… maar de voorraadkamer was leeg: linzen, tarwe, hooi. Wij hadden werkelijk gedacht dat we terug zouden keren na de bezetting en het einde van de vijandelijkheden.’ Dayan wist ook dat het om een etnische zuivering ging, die langdurig was voorbereid onder leiding van Ben Goerion die in 1948 had gesteld dat ‘wij alles moeten doen om te garanderen dat ze (de Palestijnen svh) nooit meer terugkeren.’ Het probleem zou zichzelf oplossen, want zo voorspelde de vader des vaderlands ‘de ouden zullen sterven en de jongeren zullen vergeten.’ Bijna zestig jaar later zegt Ali Saleh in het pijnboombos in zijn voormalige dorp Ma’lul: ‘Na al die jaren is mijn vraag waarom ik niet kan wonen waar ik wil en de joden wel. Ik heb er niets op tegen om met joden samen te leven, maar dan wel als gelijkwaardige burger. Wij allen zijn ingezetenen van een staat die zichzelf als joods definieert. Als nationale minderheid kunnen wij Palestijnen deze definitie niet accepteren, want onze families leven hier al eeuwenlang, wij zijn de oorspronkelijke bewoners en wij willen gelijke rechten hebben. Waarom heeft de staat ons die rechten afgenomen? Wij willen net zoals u in een democratie leven. Wij kunnen niet akkoord gaan met het feit dat Israël een democratie voor joden is en niet voor ons. Als u in een soortgelijke positie zou verkeren zou u dat toch ook niet accepteren? Wij willen dat Israël een staat van en voor al zijn ingezetenen wordt, en niet een staat blijft van en voor alleen maar joden. We verlangen niets bijzonders, wij willen een democratie. Het is een doodnormaal streven dat we van Israel een democratisch land willen maken. Joden in de hele wereld bezitten het recht om terug te keren, maar de Palestijnse vluchtelingen hebben volgens Israël dat recht niet. Wij vragen om hier onze mensenrechten te respecteren. Wij willen gelijkheid voor de wet. Er zijn joods-Israeli’s die zich verontschuldigen voor de misdaden van hun land, maar de autoriteiten hebben zich nooit verontschuldigd. Ze hebben hun misdaden tegenover ons nooit erkend. We waarderen het dat sommige joodse landgenoten met ons meeleven, maar dat is niet voldoende. We willen dat de autoriteiten ons recht op terugkeer niet langer meer belemmeren. Wij bezitten nog de documenten die aantonen dat wij eigenaren zijn van de grond.’
1 | 2 | 3 | 4
|