|
Dahoud Badr vertelt over het dorp El Ghabisiya waaruit hij op zesjarige leeftijd met zijn familie werd verdreven. Het ligt ten noordwesten van Ma’lul, niet ver van de Libanese grens. ‘Naast het recht van terugkeer eisen wij ook het recht op om onze heilige plaatsen te onderhouden, zoals begraafplaatsen, kerken en moskeen. Dat wordt ons in mijn dorp verboden. Waarom? Wij hadden nota bene een pact gesloten met de joodse militieleiders in onze omgeving dat we elkaar niet zouden aanvallen, maar maanden later, na de onafhankelijkheidsverklaring schonden ze die overeenkomst en werden we verjaagd. Eind 1948 keerde mijn familie en andere bewoners terug naar El Ghabisiya, want onze huizen stonden er nog, ons land moest bewerkt worden en we konden nergens anders heen. Januari 1950 verscheen ineens het Israëlische leger dat iedereen bevel gaf tijdelijk naar naburige dorpen te vertrekken, zogenaamd om militaire redenen. Na twee weken probeerden de inwoners terug te keren naar hun huizen, maar werden telkens weer terug gewezen. Ze gingen in beroep bij het Israëlisch Hoog Gerechtshof, dat eind november 1951 bepaalde dat de dorpelingen geen recht hadden op terugkeer. In de jaren daarna deden de Israëlische strijdkrachten er alles aan om terugkeer te verhinderen. Uiteindelijk werd In 1956 het dorp met bulldozers platgewalst. Alleen de moskee werd gespaard omdat het in Israël wettelijk verboden is religieuze gebouwen te verwoesten. Na jarenlang vergeefs petities bij de regering te hebben ingediend met het verzoek tot terugkeer, besloot Daoud Badr met steun van anderen de vervallen moskee te restaureren om er vrijdags te kunnen bidden. Niet lang daarna ontdekte de Israël Land Authority, die het land van de staat beheert, dat de moskee was opgeknapt en liet de toegangsweg blokkeren met hekken en rollen prikkeldraad, waardoor het nu nagenoeg onmogelijk is het godshuis te bereiken. De omgeving werd tegelijkertijd tot gesloten militair gebied verklaard en dus ontoegankelijk gemaakt. Keer op keer benadrukken Palestijnse Israëli’s dat in een rechtstaat ook de staat zich aan het recht dient te houden, zowel het internationaal als het nationaal recht. Dahoud Badr: ‘Wij hebben het recht om terug te keren, niet alleen volgens VN-resolutie 194, maar ook volgens sommige uitspraken van het Israëlisch Hoog Gerechtshof. Een voorbeeld daarvan is Kafr Bir’im.’ Dit dorp lag 4 kilometer ten zuiden van de grens met Libanon, op 750 meter boven de zeespiegel in een schilderachtig golvend landschap en was een vreedzame christelijke gemeenschap van iets meer dan 1000 inwoners. Kafr Bir’im wordt op verschillende manieren gespeld, maar op welke manier ook geschreven het dorp staat in Israël symbool voor het historische onrecht dat de Palestijnen is aangedaan. De afgelopen twee decennia zijn steeds meer bewijzen boven tafel gekomen dat het Israëlische leger in 1948 bewust bloedbaden aanrichtte om Palestijnen op de vlucht te laten slaan. Eind oktober van dat jaar bezetten de linkse Haganah troepen dit dorp, waarvan de inwoners zich zonder slag of stoot met witte vlaggen in de hand hadden overgegeven. Zowel de minister van Minderheden als de militaire commandant van het district beloofde expliciet dat de dorpelingen zouden mogen terugkeren en dat ze ‘tijdelijk,’ er was sprake van een week of twee, in de plaats Al Jish, 5 kilometer zuidelijker, moesten wachten ‘tot de militaire operatie afgelopen was.’ Intussen werd een deel van hen over de grens met Libanon gezet, maar mocht naderhand terugkeren, uit vrees dat het christelijke Westen zou gaan protesteren tegen de verdrijving van geloofsgenoten uit het heilige land. Aartsbisschop Elias Chacour beschrijft in zijn autobiografie hoe het Israëlische leger de belofte verbrak en in het voorjaar 1949 alle mannen en oudere jongens (onder wie zijn eigen vader en zijn drie oudste broers) met vrachtwagens richting Jordanië deporteerden en hen daar met geweervuur de grens over dreven. Desondanks slaagden Chacour’s vader en broers erin om drie maanden later terug te keren naar hun geboortestreek, die overigens door de Verenigde Naties was toegewezen aan de toekomstige Palestijnse staat. Deze etnische zuivering was onderdeel van de zionistische politiek om een zogeheten ‘Arabierenvrije grensstrook’ te creëren. Het was dan ook niets anders dan een leugen toen Ben Goerion in 1949 verklaarde dat ‘de regering niet de intentie [heeft] om de ingezetenen van Bir’im hun land en hun middelen van bestaan te ontnemen.’ De eerste premier van Israël, tevens minister van Defensie, was al snel door de commandant van de etnische zuivering, generaal-majoor Moshe Carmel op de hoogte gebracht dat het leger ‘vanwege militaire redenen gedwongen was geweest… om de bevolking uit de dorpen aan de grens te deporteren.’ De historicus Benny Morris beschrijft hoe de situatie van velen erbarmelijk was, sommigen hadden hun toevlucht gezocht in ravijnen en grotten en al zeven kinderen uit Bir’im waren aan de kou en ontberingen bezweken. Om te voorkomen dat deze terreur politiek negatieve consequenties voor Israël zou hebben gaf Ben Goerion opdracht degenen die naar Libanon waren verdreven het land weer in te laten, maar ze mochten niet terug naar Bir’im. Geconfronteerd met het permanente verbod om naar hun eigen huis te gaan, stapten in 1951 de vluchtelingen uit Kafr Bir’im naar het Israëlisch Hoog Gerechtshof om hun recht via juridische weg af te dwingen. Ruim een maand later bepaalde het Hof dat de autoriteiten antwoord moesten geven op de vraag waarom de inwoners niet naar huis mochten. Weer een maand later reageerde het leger door uit naam van de ‘nationale veiligheid’ het dorp tot gesloten gebied te verklaren. Augustus 1953 confisqueerde het ministerie van Financiën de 1200 hectare landbouwland van de dorpelingen op grond van de overweging dat de verdreven dorpelingen volgens de ambtelijke newspeak ‘aanwezige afwezigen’ waren die hun land onbeheerd achter hadden gelaten en niet bewerkten. Een maand later werd het dorp tijdens een gezamenlijke actie van de Israëlische luchtmacht en het leger plat gebombardeerd. Een deel van de grond was al in bruikleen gegeven aan een joodse onderneming die Palestijnse dagloners uit het noorden van Galilea had ingehuurd om het land te bewerken. Na de beëindiging van de Krijgswet begonnen de aanwezige afwezigen hun doden weer te begraven op het kerkhof van Kafr Bir’im. In de zomer van 1972 gingen de vluchtelingen terug naar hun dorp om er hun kerk te restaureren. Nadat ze vervolgens weigerden weer te vertrekken werden ze opnieuw verdreven, ditmaal zonder belofte maar met geweld. Inmiddels had de zaak landelijke bekendheid gekregen. De massamedia besteedden er aandacht aan, het werd in het kabinet besproken en het publiek begon er zich mee te bemoeien. De inwoners van Kafr Bir’im en van het nabijgelegen Ikrit, die hetzelfde lot hadden ondergaan, werden door joods-Israeli’s gesteund. Niet alleen begeleidden ze de inwoners op weg naar hun verwoeste dorp, maar in de straten van Jeruzalem werd een solidariteitsdemonstratie gehouden. Tegelijkertijd gebeurde er iets opmerkelijks op politiek gebied, de regering herriep alle wetgeving waarbij geregeld werd hoe bepaalde gebieden tot ‘gesloten regio’s’ konden worden uitgeroepen. Alleen voor Kafr Bir’im en Ikrit werden deze wetten ogenblikkelijk opnieuw ingesteld door de toenmalige minister van Defensie Moshe Dayan. In hetzelfde 1972 besloot premier Golda Meir tenslotte dat de verdreven inwoners niet terug mochten naar hun eigen huizen. Het argument was niet langer meer de ‘nationale veiligheid’ maar het feit dat toestemming voor terugkeer naar Kafr Bir’im ‘een precedent zou scheppen,’ niet alleen voor de meer dan een kwart miljoen intern verdreven personen, maar ook voor de miljoenen Palestijnse vluchtelingen die in de diaspora leven. De Israëlische autoriteiten beseffen maar al te goed dat als ze de christelijke inwoners van Kafr Bir’im laten terugkeren zij ook verplicht zullen zijn de islamitische inwoners van al die steden en vele honderden al dan niet verwoeste dorpen te laten terugkeren. Want ook die vluchtelingen zijn in strijd met het recht verdreven. Het lot van dit kleine dorp is een illustratie geworden van de tragedie van het hele Palestijnse volk. Het onthult het onrecht en de onbuigzaamheid van de ‘joodse natie.’
1 | 2 | 3 | 4
|