Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


Naarmate men ouder wordt, realiseert men zich steeds beter dat een grote misdaad op de ene of andere manier vergolden moet worden. Vergolden niet met bloed, want dan ontstaat een vicieuze geweldscirkel, maar vergolden door erkenning dat er een misdaad is gepleegd, dat de ander tot slachtoffer is gemaakt. Men zal op de een of andere manier daarvoor boete moeten doen. Niet alleen uit respect voor de ander, maar ook voor zichzelf. De gelovige weet dat zoals in Spreuken beschreven staat God ‘de mens vergeldt naar zijn werken.’ En de atheïst weet dat een samenleving zonder diep doorleefde normen en waarden gedoemd is zichzelf te vernietigen. Beiden kennen tenslotte het simpele ervaringsfeit dat kwaad kwaad oproept. Op een wrange wijze bewijst de geschiedenis van Israël deze waarheid; een door christelijke volkeren geterroriseerd en getraumatiseerd joods volk, terroriseert en traumatiseert nu een islamitisch/christelijk Arabisch volk. Daarin zal geen verandering komen, zolang de zionistische daders van misdrijven zichzelf alleen maar kunnen zien als slachtoffers. In 1990 sprak ik hierover met de inmiddels overleden Israël Shahak, hoogleraar organische chemie aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Shahak overleefde als kind het concentratiekamp Bergen-Belsen. Hij was van mening dat het zionisme zowel een weerspiegeling van als een capitulatie voor het Europees anti-semitisme is omdat beide ervan uitgaan dat joden overal vreemdelingen zijn en dus gescheiden van de rest van de wereld moeten leven, in een eigen getto. Tijdens het interview verklaarde deze Israëlische mensenrechtenactivist dat de cyclus van geweld in Israël mede voortkwam uit de weigering van de joods-Israeli’s om zichzelf als daders te zien. ‘De staat cultiveert het slachtofferschap. In dit land wordt het slachtofferisme geritualiseerd in allerlei vormen, op school, in de synagoge, op straat, in de media en de literatuur. De joden in Israël kunnen zich alleen definiëren als slachtoffer. Het is een bekend psychologisch fenomeen, de geschiedenis zit vol met daders die zichzelf als slachtoffer beschouwen. Het behoort tot het gebied van de pathologie. Het is een schizofrene reactie, die normaal menselijk gedrag onmogelijk maakt. De wereld moet de joods-Israeli’s dan ook niet vertroetelen, maar tot de orde roepen. Anders gaat hun geweld ongestoord door. Daders die zichzelf slachtoffer beschouwen zijn niet in staat de ander te zien. Ze kunnen zich niet verplaatsen in hun positie,’ aldus Shahak die erop wees dat dit geen vaag gepsychologiseer van hem was, maar een keiharde ervaringsfeit die het leven hem had geleerd. Toen ik mijn aantekeningen van het interview nog eens doorlas moest ik denken aan de Palestijnse evangelist vader Audeh Rantisi, die als 11-jarig kind de gruwelen van de etnische zuivering van Lydda meemaakte, en daarover schreef: ‘Na meer dan vier decennia draag ik nog steeds de emotionele lidtekens van de zionistische invasie. Toch zie ik als een volwassene wat ik toen niet volledig begreep: dat de joden ook gewone mensen zijn, zelf gedreven door angst, slachtoffers van de ergste wandaden in de geschiedenis, razend, soms zelfs onbedachtzaam zoekend naar veiligheid. Jammerlijk genoeg hebben zij mijn volk tot slachtoffer gemaakt.’ Angst als grote drijfveer. De gelauwerde joods-Israelische filmmaakster Tamar Yarom antwoordde op mijn vraag: ‘Wat ging er fout met de droom van een joodse staat?’ het volgende: ‘Ik ben van mening dat joden angstig zijn. Wij hebben een specifieke geschiedenis waarin we ons nooit echt veilig hebben gevoeld. Wanneer dat sterke gevoel diep in je leeft dan is het als een emotionele ziekte. Het je nooit veilig voelen is een typisch joods iets, nietwaar? En logischerwijs wordt dan het belangrijkste het gevoel van veiligheid, van geborgen zijn. Maar ik denk nu dat dat niet het belangrijkst is.’ Wat is dan het belangrijkst? ‘Ik denk dat als je door je eigen geweld jezelf kwijt raakt, je dan de morele legitimiteit verliest om een land te hebben, om een plaats te hebben voor jezelf.’

Oktober 2001 herbevestigde premier Sharon het besluit van premier Golda Meir, de inwoners van Kafr Bir’im mochten niet terug naar hun huizen en hun 1200 hectare grond bleef geconfisqueerd. Volgens Haaretz was een belangrijke factor die bij de beslissing meespeelde ‘de eis van 55 Arabische dorpen om terug te keren naar in beslag genomen land en de vrees dat de Palestijnse Autoriteit het precedent zou gebruiken om haar eigen eisen voor een recht op terugkeer van vluchtelingen erdoor te drukken.’ Desondanks zijn de laatste zinnen in het commentaar van de kwaliteitskrant: ‘De kabinetspositie, gebaseerd als die is op legalistische en formalistische standpunten, negeert de nationale en civiele betekenis van symbolisme in dit gecompliceerde en moeilijke tijdperk, en werpt aldoende een schaduw van morele en politieke leemten op zijn leden.’ Deze uiterst omslachtige en verhulde redenering is op zich al een illustratie van de onmogelijke positie waarin de joods-Israeli’s zich gemanoeuvreerd hebben. Wat er in het commentaar bedoeld wordt is dat de Israëlische regering bestaande uit joodse ministers een symbolisch gebaar had moeten maken door de inmiddels meer dan 5000 christelijke Palestijnen naar Kafr Bir’im te laten terugkeren. Door terugkeer te verbieden doet het kabinet iets moreel en politiek verwerpelijks. Maar de krant negeert daarbij een fundamenteel probleem, te weten het feit dat een Israëlische schuldbekentenis tegenover de inwoners van Kafr Bir’im tegelijkertijd een schuldbekentenis zal zijn tegenover de miljoenen andere Palestijnse vluchtelingen. En al deze slachtoffers van de Israëlische etnische zuiveringen hebben het recht aan hun kant. Niet alleen eist de wereldgemeenschap al meer dan een halve eeuw via resoluties van de Verenigde Naties de terugkeer van de vluchtelingen, maar ook het internationaal recht bepaalt expliciet dat ze mogen terug keren naar de plaats waaruit ze verdreven zijn. De tegenstrijdigheden in Israel ‘plaatst iedereen hier in een schizofrene situatie,’ zo omschreef een joods-Israelische vriend van me. ‘De joodse elite is niet democratisch maar wil wel heel graag democratisch te lijken. Wij joden in Israel willen overkomen als ontwikkelde individuen die tot de westerse beschaving behoren en de mensenrechten respecteren. We willen barbaars kunnen optreden tegenover de Arabieren en tegelijkertijd beschaafd lijken tegenover de Westerlingen. Vandaar dat men van de regering eist een symbolisch gebaar te maken. Niet om het grootschalige onrecht te stoppen, maar om in dit enkele geval een gebaar te maken, niet voor de slachtoffers, maar voor henzelf, om hun geweten te stillen. Kennelijk in de gedachte dat als de zaak van Kafr Bir’im is opgelost het dorp niet langer meer symbool staat voor de etnische zuiveringen. In elk geval verwachten ze dat de rest vergeten kan worden, al die ongeveer 500 andere Kafr Bir’ims. Wij joden in Israël hunkeren ernaar om de abnormaliteit een schijn van normaliteit te geven. De regering Sharon was wat dat betreft reëler, en besefte dat een grootscheepse misdaad niet verdwijnt door een inhoudsloos gebaar. De herinnering aan Kafr Bir’im zal ons joden in Israël blijven achtervolgen. Ook voor ons is het een nachtmerrie geworden, niemand wil aan zijn eigen misdaden worden herinnerd.’

1 | 2 | 3 | 4