|
In 1995 probeerde de Israëlische regering het onrecht af te kopen door de bewoners 5 procent van hun eigen land in bruikleen aan te bieden om er een huis op te kunnen bouwen. De dorpelingen weigerden omdat ze dan een verklaring moesten tekenen dat ze afstand deden van al hun bezit. In 1997 stapten ze opnieuw naar het Hoog Gerechtshof. In 2000 drong paus Johannes Paulus II er bij premier Barak aan op rechtsherstel voor de vluchtelingen uit het dorp. Maar in 2003 bepaalde het Hof dat de inwoners van Kafr Bir’im geen recht hadden om terug te keren. In een laatste poging om hun recht te krijgen roepen de voormalige dorpelingen nu de wereld op hen te helpen. Op hun website verzoeken ze de lezer een email te sturen aan de Israëlische premier en de minister van Justitie met het verzoek hun rechten te respecteren. In het dorp staat alleen de kerk nog overeind en de graven, de rest is puin van meer dan 100 verwoeste huizen, overwoekerd door struikgewas en wilde grassen. Alleen in een kist mogen de Palestijnse christenen hier terugkeren. De omgeving is tot een archeologische plaats verklaard en is een toeristische trekpleister geworden voor joden die de restanten van een oude synagoge in de omgeving willen zien.
Dahoud Badr: ‘In elk geval mogen de mensen van Kafr Bir’im nog wel in hun kerk bidden en hun doden op het kerkhof daar begraven, maar de moslims van mijn dorp El Ghabisiya mogen zelfs dat niet. Rondom onze moskee staat een twee meter hoog hek en prikkeldraad. Ik heb een keer een nachtlang vastgezeten omdat ik toch de moskee was binnengegaan. Dat was in 1996, hetzelfde jaar dat er parlementsverkiezingen in Israël waren. Simon Peres van de Arbeiders Partij beloofde ons dat hij de godshuizen in de verwoeste dorpen zou laten restaureren. Maar Netanyahu won toen en we hebben er nooit meer iets van vernomen.’ Ali Saleh roept ons en laat een ring van een oud slot zien die hij zojuist heeft gevonden. ‘Voor onze verzameling.’ Hij is blij verrast. Saleh: ‘Ik laat het aan onze kinderen en kleinkinderen zien, een herinnering. Als je aan een van onze kinderen, hoe jong ook, vraagt waar hij vandaan komt, zal hij niet zeggen Nazareth waar hij geboren is, maar Ma’lul waar zijn voorouderlijk huis stond. Ouders brengen hun kinderen hier naartoe en wijzen de plaats aan waar het huis van hun familie stond, ze kunnen exact beschrijven hoe het eruit zag. Wij hebben geen foto’s van ons dorp, maar misschien liggen ze in archieven in Londen of misschien ook wel in het archief van het Israëlische leger. Terwijl we in de schaduw van de kerk staan schreeuwen de twee militairen vanuit hun karretje: ‘Allah Akbar.’ Ze moeten er hard om lachen. Mijn Palestijns Israelische gastheren doen alsof ze het niet gehoord hebben, maar zeggen desgevraagd dat dit vernederend bedoelde gedrag niet uitzonderlijk is. ‘De joden die dit doen zijn veelal afkomstig uit de lagere klassen. Wij laten ons er niet door van de wijs brengen, onze eisen zijn gerechtvaardigd. Wij behouden onze waardigheid door op onze rechten te blijven staan en door ons hoofd hoog te houden. Die militairen zijn onze landgenoten, alle burgers hier zouden dezelfde rechten moeten hebben.’ De heer Serhan richt zich tot me: ‘Ik zou via u een beroep willen doen op Europa om onze gemeenschap te helpen. Aan de andere kant van dit hek, op het terrein van het militaire kamp is een grote christelijke begraafplaats. Is of was, we weten het niet, want we mogen er niet naar toe. Als de graven niet verwoest zijn, willen wij ze graag onderhouden. Maar we krijgen geen toestemming. Als er een joods graf in Europa wordt vernield dan komen de joden daar terecht tegen in het geweer en wordt het graf in ere hersteld, maar hier kunnen we niets doen. Vandaar dat ik hierbij de christenen in Europa oproep ons te helpen.’ Over een bospad lopen we naar beneden waar een klein wit bord staat met een vijftal logo’s waaronder die van het Joods Nationaal Fonds en het ministerie van Toerisme. In door de zon verbleekte zwarte letters staat alleen in het Hebreeuws de tekst dat hier de ruines van twee kerken, waaronder een Grieks katholieke, die een onderdeel vormden van het Arabische christelijke/islamitische dorp Ma’lul. ‘Het dorp werd in 1948 in de steek gelaten.’ Atif Serhan die hier geboren werd zegt: ‘Ziet u, er staat hier een leugen, wij hebben het dorp niet in de steek gelaten, wij zijn verdreven en mogen niet terugkeren. Maar die waarheid wordt officieel verdrongen. Dat mag niet bekend worden gemaakt en daarom liegen het Joods Nationaal Fonds en het ministerie van Toerisme. En zo proberen ze de slachtoffers van hun misdaden onzichtbaar te maken.’ Ik kan de woorden op de band bijna niet meer horen, een jachtbommenwerper scheert vlak over ons richting het noorden, op weg naar Libanon. De geschiedenis laat zich niet verdrijven. Nog weer verder staat een bord van het Joods Nationaal Fonds met de vermelding van de naam van degenen die dit bos financieel mogelijk hebben gemaakt. Het betreft een joods echtpaar die ver weg van Israel blijft wonen.
1 | 2 | 3 | 4
|