Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


Interview met Jack Shaheen

“In de huidige cartoons heeft de Arabier de gelaatstrekken van de jood van vroeger, ze zijn identiek.”

Jack G. Shaheen, emeritus hoogleraar van de faculteit Massa Communicatie van de Universiteit van Southern Illinois, voormalig adviseur van CBS News, en auteur van Reel Bad Arabs. How Hollywood Vilifies a People.

Uit Reel Bad Arabs: “Wat is een Arabier? In ontelbare films beweert Hollywood het antwoord te weten: Arabieren zijn wrede moordenaars, gore verkrachters, religieuze fanatici, olierijke domoren, en aanranders van vrouwen... Vanwege het onmetelijke Amerikaanse culturele bereik via televisie en film – zijn wij ’s werelds grootste exporteur van filmbeelden – de alles doordringende Arabische stereotype heeft vandaag de dag een veel negatievere invloed op kijkers dan het dertig of veertig jaar geleden had.”

Jack Shaheen: ‘Hollywood erfde de stigmatiserende beelden van semieten hoofdzakelijk van Europa en al meer dan een eeuw worden die via films verspreid. Het beeld van de Arabier is gefundeerd op geslepen Bedouienen bandieten in de woestijn die de helden van de beschaving de soldaten van het Vreemdelingen Legioen overvallen. Alle clichés zijn erin verwerkt: de doortrapte barbaren uit de wildernis tegen de cultureel superieure vertegenwoordigers van recht en orde. De blanke Europeaan was de held, de gekleurde Arabier de schurk. Dat beeld veranderde geleidelijk aan in vooral de tweede helft van de jaren zestig. De Arabieren en met name de Palestijnen werden voorgesteld als figuren uit een cultureel volledig andere wereld, lui die gevreesd moesten worden. Palestijnen werden zeker niet afgebeeld als burgers die onteigend waren, en uit hun eigen land waren verdreven of bezet werden door een vreemde macht. De filmindustrie koos voor de Israelische versie van het conflict en portretteerde de Palestijnen als terroristen, als daders en niet als slachtoffers. Mensen zoals u en ik, zestigers, zijn opgegroeid met het beeld van Hollywood dat de Palestijnen terroristen zijn en niet een volk dat al vele jaren lijdt onder een bezetting en slachtoffer is van etnische zuiveringen. Die ééndimensionale beelden zijn een ramp. Het ontnemen van iemands menselijkheid, het brandmerken van een heel volk is levensgevaarlijk. In onze beeldcultuur worden Arabieren met beelden gedemoniseerd en we weten uit de geschiedenis dat het ontmenselijken aan het moorden vooraf gaat. Hollywood heeft de Arabieren vanaf het begin gecriminaliseerd, tot het absurde toe. Egyptenaren werden opgevoerd in de vorm van herlevende mummies die Amerikaanse vrouwen proberen te veroveren. In de jaren zeventig werden sjeiks afgebeeld als een bedreiging omdat ze met hun oliegeld de westerse samenlevingen begonnen te infiltreren. Ze kochten in Londen en de Verenigde Staten onroerend goed, de kreet was: “De Arabieren komen er aan,” terwijl iedere multimiljonair op aarde in de VS en Europa investeert. Maar omdat het Arabisch geld was, was het gekleurd en moest men bang zijn. Begin jaren negentig was er de Tweede Golfoorlog met alle voorafgaande propaganda om de strijd te rechtvaardigen. Ik herinner me nog levendig hoe een jonge vrouw uit Koeweit in het Amerikaanse Congres getuigde dat Irakese soldaten op de kraamafdeling van een ziekenhuis in Koeweit Stad baby’s uit hun couveuses trokken en op de grond smeten om ze daar te laten sterven. Geen enkele journalist, geen enkel Congreslid onderzocht destijds de identiteit van deze jonge vrouw. Was zij echt in Koeweit geweest? Had zij daadwerkelijk Irakese soldaten deze gruweldaden zien verrichten? Pas later ontdekte het publiek dat de officiële getuige de 15-jarige dochter was van de Koeweitse ambassadeur in de Verenigde Staten die speciaal hiervoor getraind was door het al eerder in opspraak geraakte Public Relations kantoor Hill & Knowlton. Alle betrokken journalisten en volksvertegenwoordigers gingen er blind vanuit dat zij de waarheid sprak. De pers en de politiek waren daartoe ook bereid. Ze vonden het kennelijk aannemelijk dat Arabieren dit doen. En dan hebben we natuurlijk in 2003 de invasie en bezetting van Irak. Het was niet moeilijk voor een groot deel van het Amerikaanse publiek het geweld te steunen, omdat al meer dan een eeuw de Arabieren in alle media, van stripverhalen tot romans, videospelletjes en persberichten, beschuldigd worden van het kwaad in de wereld en daarom afgebeeld worden als onze vijand.’

Uit Reel Bad Arabs: ‘Vooral de islam wordt uitgekozen voor een onrechtvaardige behandeling. De huidige beeldenmakers verbinden het islamitische geloof regelmatig met mannelijke suprematie, heilige oorlog, en terreurdaden, Arabische moslims worden geportretteerd als vijandige vreemde binnendringers, en als hitsige olie sjeiks die van plan zijn nucleaire wapens in te zetten. Wanneer moskeeën op het beeldscherm worden vertoond, dan draait de camera onvermijdelijk naar biddende Arabieren, en vervolgens naar het met kogels neermaaien van burgers. Dergelijke scenario’s zijn gebruikelijke kost.”

Jack Shaheen: ‘In de beginjaren van de filmindustrie was iedereen een zondebok die niet blank en protestants was, de Afrikanen waren barbaren in het oerwoud, de Indianen waren wilden uit de open prairies, de Chinezen leefden in hutten van modder, en de Mexicanen waren zuipschuiten die op straat hun roes uitsliepen. Al die groepen waren destijds perfecte types om de rol van bedreigende wilden te spelen, vooral tijdens de periode van de stomme film. Na 1945, toen de Verenigde Staten zich als een wereldmacht was gaan gedragen, leerden we geleidelijk aan deze vooroordelen af te zweren. Het zijn alleen nog de Arabieren die worden gediscrimineerd, gestereotypeerd en gestigmatiseerd. Zij vertegenwoordigen de ander, de buitenstaander, de bedreiging, het gevaar. Het stigmatiseren versterkt ook de behoefte van sommige westerlingen om zich superieur te voelen aan anderen. Wanneer we ons niet langer meer als beter mogen beschouwen dan Aziaten, joden, Latino’s of zwarten, dan kunnen we ons tenminste nog superieur voelen aan die verachtelijke Arabieren. Bovendien moet iemand de rol van de slechterik spelen, zoals Sidney Furie verklaarde, de scenarioschrijver van Iron Eagle. “En dus creëer je er één… een aanvaardbare slechterik. Iemand moet het kwaad vertegenwoordigen.” En die iemand is dus de Arabier, zoals het vroeger de jood was. Een van de producenten gaf als verklaring “Jack, sommigen van ons willen geen goede Arabieren afbeelden, zelfs niet goede Arabische Amerikanen, omdat we dan als pro-Arabisch worden bestempeld.” Op dit alles wordt ingespeeld door de westerse berichtgeving van het Israelisch-Arabisch conflict. Waren de joden in Israel en de Palestijnen tot een vergelijk gekomen en was er vrede geweest dan zou de filmindustrie de Arabieren niet zo negatief afbeelden als nu het geval is. Politiek speelt een sleutelrol in dit hele ontmenselijkingsproces. Daarnaast voeden christelijke fundamentalisten de angst voor de islam. Zij winden zich al op over andere christenen die niet precies hetzelfde denken. Nu in deze tijd van globalisering de moslims net als alle andere groepen verspreid over de wereld raken, zien ze hen als bedreigend. De christelijke fundamentalisten begrijpen de islam niet en willen die ook niet begrijpen. Ze hebben hun eigen benarde visie van de wereld en alles dat daarin niet past, wordt onmiddellijk als vijandig beschouwd. Daar komt nog een zekere jaloezie bij over het feit dat de Arabische wereld nog een gemeenschap van mensen lijkt, bijeengehouden door een traditioneel mensbeeld, door een bepaalde geborgenheid, warmte, gastvrijheid, vriendelijkheid en een duidelijk decorum. Iedere buitenstaander die de regio bezoekt valt dat onmiddellijk op zodra ze met de gewone mensen in contact komen. Die gedeeltelijk nog organische wereld met zijn hechte familiebanden wordt doorgaans niet in films en nieuwsverslagen belicht, maar zodra Amerikanen het merken, worden ze herinnerd aan hun eigen jeugd toen diezelfde samenhang nog in de Verenigde Staten bestond. Voor de kolonisten van de vorige eeuw betekende de familie alles, en de Arabieren bezitten die familiecultuur nog. En tenslotte moeten we niet vergeten dat de Arabieren op de rijkste olievoorraden ter wereld zitten, en almaar rijker lijken te worden van ons geld, terwijl dit in de praktijk helemaal niet waar is, de meeste mensen zijn er arm. In dat gevoel zit natuurlijk een racistisch element, want we zouden niet zo snel een blank, christelijke Europees volk met olie, zoals de Noren, net zo criminaliseren als we met de Arabieren doen. De oliemaatschappijen maken momenteel recordwinsten, en geen enkel serieus debat bestaat hierover in de media, maar als de Arabieren al dit geld zouden opstrijken dan zou er een geweldig publiek kabaal ontstaan en zouden er demonstraties volgen. Daarentegen mogen onze eigen oliemaatschappijen doen wat ze willen. En dit complex van factoren wordt nog eens versterkt door de Israelische propaganda, die buitengewoon effectief is.’

1 | 2 | 3