|
De vooraanstaande filmcriticus Anthony Lane van The New Yorker schreef in zijn weekblad: ‘Tenslotte is er het Arabische vraagstuk. De Arabische bevolking heeft altijd de meest wrange en onbegrijpelijke behandeling gekregen van Hollywood, maar met het einde van de Koude Oorlog is de stereotype zelfs nog verachtelijker geworden. In The Mummy (1999) kon ik nauwelijks geloven wat ik zag… Dus, ziehier een gezelschapsspelletje voor elke filmproducent die denkt aan een Midden Oosterse plaats van handeling; probeer de ene semitische groep te vervangen door een andere – joden in plaats van Arabieren – en luister DAN of er gelachen wordt.” En de prominente Amerikaanse politieke journalist William Greider schreef: “Joden werden veracht als exemplaren van het modernisme,” terwijl de huidige “Arabieren geportretteerd worden als de verspreiders van het primitivisme – beiden zouden onze behaaglijke moderne wereld bedreigen met hun vreemde gebruiken en begeertes.”
Jack Shaheen: ‘De twee grote machtscentra in de Verenigde Staten zijn Washington, waar de politiek wordt gemaakt, en Hollywood waar die politiek verkocht wordt. De massacultuur en de massamedia volgen de officiële politiek, net zolang tot er onder grote groepen mensen een bewustzijnsverandering optreedt en de commerciële media gedwongen zijn daarop te reageren, zoals tijdens de Vietnamoorlog gebeurde. Bijna alle journalisten en alle studio’s stonden achter de oorlog, en het handjevol tegenstanders werd als verraders beschouwd. Wat we nu zien is een eindeloze cyclus nieuws- en filmbeelden van Palestijnen die op een selectieve wijze worden gepresenteerd als terroristische daders en nooit, zoals in de werkelijkheid, als treurende slachtoffers van Israelische wreedheden. Al die beelden bijeen stellen het westerse beleid niet ter discussie maar versterken dat juist. Terwijl dus de laatste drie decennia vele raciale en etnische stereotypen van het filmdoek zijn verdwenen, blijft Hollywood’s stigmatisering van de Arabieren onverminderd doorgaan en is zelfs in omvang en kwaadaardigheid gegroeid. Twee decennialang heb ik de beeldvorming bestudeerd en geanalyseerd, ik heb meer dan 900 films gezien en de overgrote meerderheid ervan portretteert de Arabieren op een volstrekt verwrongen manier, die geen enkel verband houdt met de werkelijkheid. Zoals ik in mijn boek schrijf is er sprake van een systematische, permanente, wijd verspreide ontmenselijking van ongeveer 300 miljoen individuen die in 22 Arabische staten en elders wonen. Alleen al sinds 1970 heeft een hele industrie meer dan 350 films geproduceerd waarin de Arabieren worden afgebeeld als verraderlijke, gewelddadige extremisten. Het paradoxale is dat wijzelf de vijand worden wanneer we de ander zwart maken, wij verwonden onszelf wanneer we anderen haten en voor criminelen uitmaken. We ontnemen onszelf daarmee onze menselijkheid. Dat hebben we gezien onder andere bij de nazi’s en we zien het nu weer. Weet u, toen ik met mijn onderzoek van dit onderwerp begon, was over de Arabieren in de media nog niets geschreven, dus om de essentie van de stereotypering te begrijpen werd ik genoodzaakt om de beelden van andere groepen te bestuderen, joden, zwarten, Aziaten, Latino’s, vrouwen, homo’s, lesbiennes. En gaandeweg raakte ik steeds meer geïnteresseerd in de propagandabeelden van de jood, die vooral in tsaristisch Rusland en nazi Duitsland afgebeeld werden als lui die met hun bankgeld een economische bedreiging vormden, onbetrouwbare types met een God die wezenlijk anders zou zijn dan de christelijke God, en van wie de wellustige lippen en ogen het verlangen uitdrukten om arische maagden te bezitten. Die beelden vergeleek ik met de huidige cartoons over Arabieren en ontdekte dat ze hetzelfde zijn. Er bestaan zoveel overeenkomsten! Ook de Arabieren worden als een economische bedreiging afgebeeld, bij hen niet door bankgeld, maar door hun olie. Daarnaast zitten ze achter westerse vrouwen aan, en ook de religie speelt een voorname rol. Frappant zijn eveneens de gelaatstrekken. In de huidige cartoons heeft de Arabier de gelaatstrekken van de jood van vroeger, ze zijn identiek. Welke westerse cartoon men ook neemt, de Arabier lijkt sprekend op een verklede jood uit de antisemitische lectuur, verwijder het gewaad en de hoofddoek van de Arabier op die afbeeldingen, vervang die kledingstukken door een keppeltje en een zwarte jas en u ziet een jood, de gelaatstrekken zijn exact hetzelfde, het enige onderscheid is dat ze van een andere semitische tak zijn. De Shylock van vroeger is de huidige sjeik met zijn kromme neus, die voor de westerling het angstige beeld van de ander oproept. En laten we niet vergeten dat die stigmatiserende tekeningen hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de holocaust. Daarvan zouden we bewust moeten zijn, en er iets tegen moeten ondernemen, maar dat is nog steeds niet gebeurd. Sommige mensen voelen zich ongemakkelijk wanneer ze mij deze analogie horen maken. Ze willen het niet horen, omdat ze daardoor aangesproken worden op hun eigen vooroordelen. Die zouden ze moeten afzweren en dat willen ze niet. Het beeld van een Arabier is een cliché, dat bijna alle journalisten gebruiken omdat zijn/haar collega’s het ook doen. Bovendien zitten die stereotypen zo diep in het bewustzijn. Ik ken een uitstekende Amerikaanse journalist, Donald Neff, die bureauchef in Israel was van Time Magazine. Zijn verslagen waren evenwichtig, maar toch verklaarde Neff dat hij al die tijd in Israel er niet in was geslaagd zich te bevrijden van de stereotypen van Arabieren. Zelfs wanneer hij Palestijnen zag lijden kon hij de clichés niet van zich afschudden, zo sterk waren de propagandabeelden geweest waaraan hij als jong mens blootgesteld was, zoals trouwens wij allemaal. Hij schreef letterlijk dat ‘’het nagenoeg onmogelijk was deze stereotypen te vernietigen. Dit bleef zelfs het geval ondanks het feit dat mijn ogen me elke dag opnieuw bevestigden dat ze spotprenten van de werkelijkheid waren. Toch kon ik de stereotypen niet volledig kwijtraken, niet in mijn eigen denken en nog veel minder in de verhalen die geschikt waren om afgedrukt te worden.” Voor Neff was het onmogelijk geweest om de Arabieren niet in een kwaad daglicht te stellen, terwijl hij zich toch zo bewust was van die neiging. Uit onafhankelijke onderzoeken blijkt dat vooroordelen de westerse berichtgeving kleuren. Ik las een paar dagen geleden in de International Herald Tribune een analyse van de impact die de Israelische inval in Libanon had op de Israelische regering. Absoluut niets werd bericht over de ingrijpende gevolgen van al dat geweld op de Libanese bevolking en de vernietiging van de infrastructuur in dat land. Geen woord over de onschuldige burgerslachtoffers, alsof er helemaal niemand om het leven was gekomen en geen woord over de onvoorstelbare schade. Voor de Herald Tribune was alleen de impact op de Israelische regering belangrijk. Als ik hoofdredacteur van een krant zou zijn en een verslaggever was met deze onevenwichtige rotzooi aangekomen dan zou ik het artikel, ongeacht de status van de journalist, direct hebben afgewezen. Het is maar de helft van de werkelijkheid en daardoor een groteske vertekening van de realiteit. Ik zou hem of haar hebben gevraagd waarom de Libanese doden en de Libanese verwoesting geen deel van het verhaal waren? De Herald Tribune verdiepte zich alleen in de belevingswereld van het Israelische kabinet dat de grote fout had begaan Libanon binnen te vallen. De rest was kennelijk oninteressant en dat is een onvergeeflijke omissie.’
Uit Reel Bad Arabs: ‘’Al in vroege tijden besefte Plato de macht van verzonnen verhalen. In zijn Republiek stelde hij: ‘Degenen die de verhalen vertellen heersen ook over de maatschappij.’ Als visuele lesprogramma’s blijven films, net als verzonnen verhalen, voor altijd bestaan. ‘Het wordt tijd ons te realiseren dat de ware mentoren van onze kinderen niet de onderwijzers zijn of universitaire hoogleraren maar filmmakers,’ schrijft Benjamin R. Barber in The Nation.”
Jack Shaheen: ‘In de massamedia functioneren woorden en beelden als wapens. Ze leren ons wie we moeten liefhebben en wie we moeten haten. Al heel lang vertellen ze ons dat we de Arabieren moeten haten. Maar op die manier werken we ons in een onmogelijke positie waarbij de kans op terrorisme almaar toeneemt in plaats van afneemt. Wij kunnen ons niet veroorloven onszelf en andere onschuldige mensen overal ter wereld in gevaar te brengen. Het polariseren en criminaliseren van anderen leidt onherroepelijk tot massaal geweld, die iedereen zal treffen. Het Westen moet ophouden het terrorisme te stimuleren zoals de Verenigde Staten heeft gedaan door Irak illegaal binnen te vallen. Als we op deze weg doorgaan zal onze situatie alleen maar verslechteren. Ik heb mijn land als militair gediend en was 3 jaar lang in Europa gestationeerd. In die tijd omarmden, respecteerden, bewonderden en koesterden de meeste mensen op aarde de Amerikaanse verworvenheden. Het grootste deel van mijn leven waren wij een voorbeeld voor de mensheid, maar dat is de afgelopen jaren dramatisch veranderd, niet alleen in het Midden Oosten, maar in de gehele wereld. Er is een grote vijandigheid ontstaan als gevolg van de buitenlandse politiek van Washington. Als wij als land het respect van de rest van de mensheid willen terug krijgen, wat veel belangrijker is dan de meeste Amerikanen beseffen, dan zullen we moeten veranderen. We zullen moeten beginnen met een drastische verandering in ons bewustzijn, we moeten onze beelden en vooroordelen fundamenteel ter discussie stellen. Lang voordat we in 1991 Irak aanvielen werden er veel films gemaakt waarin onze militairen Arabieren om zeep hielpen. Toen Washington besloot Irak aan te pakken waren de meeste Amerikanen en trouwens ook veel film- en tv-kijkers overal ter wereld volledig geconditioneerd. Na al die beelden leek er maar één alternatief te zijn: oorlog, de Arabieren waren de vijanden die verslagen moesten worden. En dat terwijl we vóór 1991 nooit in oorlog waren geweest met een Arabisch land. Hollywood heeft dus al die jaren een vijand gecreëerd met wie we nooit een gewapend conflict hadden. Volgens de Amerikaanse regering waren 19 Arabische moslim terroristen verantwoordelijk voor de aanslagen van 11 september. 15 van hen zouden uit Saoedi Arabië afkomstig zijn, en we verklaarden de oorlog aan Irak dat niets te maken heeft gehad met deze terreuraanslagen, zoals onlangs officieel is komen vast te staan. De Bush-regering heeft stelselmatig tegen de Amerikaanse bevolking gelogen en dat beleid werd vergemakkelijkt door de propagandistische beelden die onophoudelijk via films, tv-series, boeken, nieuwsberichten op het Amerikaanse publiek zijn afgevuurd. We krijgen voortdurend een stroom selectieve beelden van protesterende Arabieren te zien die in het openbaar ‘Allah O Akbar’ gillen en ‘Dood aan Amerika.’ Het zijn uiterst selectieve geweldsbeelden waarin Arabieren niet als gewone mensen worden afgebeeld maar als fanatieke irrationele vijanden van het Westen. De ongeveer 300 miljoen gewone Arabische burgers zijn volledig achter die propagandabeelden verdwenen, en onzichtbaar gemaakt. In hen zijn de westerse massamedia ook niet wezenlijk geïnteresseerd. Neem bijvoorbeeld het zogeheten Israelisch-Palestijns conflict, waarbij de Israelische overheid land van Palestijnen al vier decennia bezet en grote delen daarvan in beslag heeft genomen. Begin maart 2008 werden bij Israelische militaire aanvallen op bevolkingscentra rond de 120 Palestijnen gedood, van wie de helft burgers waren die niet aan de strijd deel hadden genomen, een kwart van de doden was nog kinder volgens de cijfers van de Israelische mensenrechtenorganisatie B’tselem. In de westerse media werd het aantal terloops gemeld, alsof het een te verwaarlozen detail was. Maar toen in diezelfde tijd een Palestijnse schutter 8 joodse studenten van een religieuze school doodschoot, was dit in het Westen het nieuws waarmee prominent geopend werd. In tegenstelling tot de Palestijnse nabestaanden van de slachtoffers zagen en hoorden we hier rouwende familieleden en vrienden, en vernamen we hun standpunten. Daardoor konden we met de getroffenen meeleven, maar met de Palestijnen mogen we kennelijk niet meeleven. Zij worden bij voorkeur negatief afgebeeld of genegeerd, dus geen interviews met hun rouwende vrienden en familie, geen beelden van hun leed, behalve wat wilde beelden van chaotische begrafenisstoeten, die voor westerlingen bedreigend overkomen. Wij krijgen hun visie niet genuanceerd te horen. We zien bijna nooit een evenwichtig verslag, bijna nooit. Waarom niet? Het leven van een joods Israëli is voor de westerse massamedia altijd waardevoller dan dat van een Arabier, en dat geldt zelfs voor het leven van kinderen. En vooral dat laatste is zo verbazingwekkend, want alle kinderen zijn onschuldig en bijzonder kwetsbaar. Waarom maken doorgaans fatsoenlijke westerse journalisten een onderscheid tussen een joods en een Palestijns gedood kind? Op wat voor een gedachte berust dit? Op wat voor een beeld? Vanwaar die inhumane discriminatie? En toch gebeurt het dagelijks, en wordt dit gedaan door mensen die zich rationeel, democratisch, verlicht, en humaan voelen, vaak ook zelf moeder of vader zijn. Zo krachtig zijn de stigmatiserende beelden waarmee de Europeanen en Amerikanen zijn opgevoed dat ze het leven van een joods kind waardevoller vinden dan dat van een Palestijns kind. Er bestaan voor hen waardevolle en onwaardige slachtoffers. En die ontmenselijking is griezelig.’
1 | 2 | 3
|