Home
Interviews
Over de auteur
Bestellen


D E _ O N E I N D I G E _ O O R L O G
d o o r _ S t a n _ v a n _ H o u c k e


Ook op andere levensgebieden gaat de dagelijkse terreur van de Israëlische bezetting ongestoord door. Zo ‘‘worden 384 Palestijnse kinderen in Israëlische gevangenschap gehouden, onder wie 10 in administratieve hechtenis (dat wil zeggen zonder aanklacht).’’ OCHA laat aan de hand van individuele gevallen zien wat de langdurige bezetting en belegering betekent voor gewone mensen. Mohammed Miqbil is een 66-jarige Palestijnse boer, die in Qaryut op de Westbank leeft, halfweg tussen de steden Nabloes en Ramallah. ‘‘Miqbil bezit een klein stuk land ten zuidoosten van het dorp, en in 1966 plantte hij 300 olijfbomen op zijn land. In goede jaren, konden de bomen tot 1600 kilo olijfolie produceren, en rond de 40 familieleden profiteerden van de productie. Sinds 2000 is de olijfolie die dit stuk grond opleverde de belangrijkste bron van inkomsten voor Miqbil. Naar het zuiden en westen toe wordt Qaryut begrensd door twee Israëlische nederzettingen, Shilo en Eli. In de jaren 90 werden twee buitenposten Shvut Rahel en Adei Ad (door de Israëlische autoriteiten niet officieel erkende nederzettingen, voor het merendeel bestaand uit caravans. svh) gevestigd naast het land waarvan Miqbil eigenaar is. Sinds die tijd hebben kolonisten herhaaldelijk geprobeerd het land in beslag te nemen. In 2000 verwoestten kolonisten een deel van zijn land en stalen tenminste de helft van zijn oogst. Als gevolg van het voortdurend lastig vallen is hij tijdens de laatste zes seizoenen er niet in geslaagd zijn olijven te plukken. Vorig jaar zetten de kolonisten een hek om zijn land ten einde er zeker van te zijn dat hij zijn land niet kon bereiken. In november 2006 lukten het hem en zijn familie zijn land te betreden na voorafgaande coördinatie met de Israelische strijdkrachten (IDF svh). Maar nadat de IDF uit de omgeving was vertrokken drong een groep kolonisten het gebied binnen en mishandelden de aanwezigen. Miqbil zelf moest naar het ziekenhuis om aan zijn verwondingen te worden behandeld. Net als in andere gevallen diende hij ook nu een aanklacht in bij de Israëlische politie, zonder dat dit tot een actie leidde. Jaar na jaar bleven de kolonisten hem lastig vallen en de opbrengst van zijn land stelen. Op 17 juni 2007 arriveerden kolonisten met bulldozers op zijn land en begonnen systematisch zijn bomen uit te graven en te ontvreemden. Miqbal die de diefstal van veraf gadesloeg, nam meteen contact op met de IDF. Zij verwezen hem naar het politiebureau in de nederzetting Benyamin, en later diezelfde dag diende hij een aanklacht in bij de politie. Enkele dagen later vonden de Israëlische autoriteiten ongeveer 140 van de missende olijfbomen in Adei Ad, waar kolonisten ze langs de toegangsweg van hun buitenpost hadden herplant. Volgens Miqbil werd hij uitgenodigd voor een bijeenkomst op 24 juni met de Israëlische District Coördination and Liaison in Bet EL (DCL, de Israëlische afdeling van het coördinatie bureau dat erop toe zou moeten zien dat de toepassing van de Oslo Akkoorden soepel verloopt, en dat gevestigd is op de militaire basis van waaruit de militaire bezetting van de Westbank wordt georganiseerd. svh). Tijdens de bijeenkomst beloofde de IDF de 140 bomen te zullen herplanten op zijn land, aangevuld door 30 oudere bomen en 130 jonge bomen als compensatie. Miqbil ging akkoord met het voorstel, daarmee erkennend dat dit waarschijnlijk het beste was dat hij uit de situatie kon halen. Op 26 juni arriveerde de IDF op zijn land om de 140 ontwortelde bomen te herplanten. Nadat het herplanten was voltooid, toonde een nadere beschouwing aan dat in feite slechts 124 bomen waren terug gebracht en dat alle bomen ernstig beschadigd waren. Volgens Miqbil zullen ze zelfs met een juiste behandeling en onderhoud tenminste een decennium lang geen vrucht dragen. De rest van de bomen moet nog steeds komen. De Israëlische DCL in Ramallah bevestigde de details van de afspraak die met Miqbil was gemaakt, maar was niet in staat om een datum te geven waarop de resterende bomen zullen worden herplant. Mohammed Miqbil’s ervaring is onderdeel van een groter patroon van Israëlisch kolonistengeweld tegen Palestijnen en hun bezit, dat overal op de Westbank te constateren is, vooral in de herfst tijdens het seizoen van de olijfoogst.’’ Het treiteren vindt op allerlei manieren plaats. ‘‘Informatie uit het veld geeft aan dat vrouwen die op vrijdag 22 juni de controlepost Gilo passeerden zich moesten uitkleden voor nader onderzoek… Wat de vernedering van deze vrouwen nog eens vergroot is hun angst dat het onderzoek gefilmd werd of op afstand werd gade geslagen door mannelijke soldaten.’’ De permanente druk van de bezetting lijkt erop gericht om geweld uit te lokken. Februari 2008 concludeerde professor John Dugard, Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties, dat het Palestijns terrorisme de “onvermijdelijke consequentie” is van de Israelische bezetting. Hoewel vanzelfsprekend terroristische aanslagen verwerpelijk zijn “moeten ze gezien worden als een pijnlijke maar onvermijdelijke consequentie van kolonialisme, apartheid of bezetting,” alle drie fenomenen waarvan deze Zuid Afrikaanse hoogleraar Israel beschuldigd. “Bovendien heeft de regering van Israel het verbod overtreden op collectief straffen van een bezette bevolking zoals geregeld in artikel 33 van de Vierde Geneefse Conventie.” En ook OCHA waarschuwt: ‘‘De frustratie onder de jeugd als gevolg van de huidige situatie begint een zaak van grote verontrusting te worden. Het ontbreken van banen, de beperking van bewegingsvrijheid en een diepe illusie over de toekomst eindigt frequent in een gewelddadige houding en kan gemakkelijk extreme reacties voeden. De staf van UNWRA constateert verder een verslechtering van de leefomstandigheden van vluchtelingenfamilies, die bij UNWRA te boek staan als Zwaar Getroffen Gevallen. Onder hen lijken de families met gehandicapte leden in het bijzonder noodlijdend te zijn en zij kunnen zich niet langer meer gespecialiseerde behandeling veroorloven.’’ Ook de toegang tot schoon water wordt in de bezette gebieden steeds problematischer. OCHA: ‘‘Water tekort in het Yatta Gebied – zuidelijk Hebron. Het Yatta gebied wordt getroffen door een watertekort, die deze zomer een hoogtepunt zal bereiken. Regenval was niet meer dan 150 millimeter, en het weinige dat opgevangen werd is hoofdzakelijk gebruikt voor huishoudelijke doelen. Zowel de minimale waterdistributie in de stad als het ontbreken van een distributiesysteem voor de omliggende dorpen heeft ertoe geleid dat men kostbaar water moest kopen uit tankwagens… Dit treft ongeveer 40.000 inwoners. Regenwater wordt opgevangen door ongeschikte systemen… en gebruikt om te drinken. Dit veroorzaakt gezondheidsproblemen als dysenterie, vooral bij kinderen en zwangere vrouwen… Velen gebruiken ongezuiverde grijze afvalwater direct voor het irrigeren van de moestuinen, wat een invloed heeft op kwaliteit, gezondheid en milieu. Onvoldoende drinkwater voor de dieren heeft mensen ertoe gedwongen hun veestapel te verkopen. De situatie is alarmerend binnen de context van de verslechterende economische omstandigheden.’’ De VN organisatie concludeert dat ‘‘drie factoren bijgedragen hebben aan een verslechtering van de humanitaire situatie in de bezette Palestijnse gebieden: 1. Een gebrek aan bescherming van burgers en toenemend geweld; 2. Steeds meer beperkingen van de bewegingsvrijheid; en 3. De financiële en institutionele crisis van de Palestijnse Autoriteit volgend op de verkiezing van de Hamas organisatie in de Palestijnse Wetgevende Raad in januari 2006.’ Duidelijk is ook dat de Israëlische bezetting het leven van de Palestijnen probeert terug te brengen tot een bestaan op een biologisch minimum, kennelijk in de hoop dat ze daardoor zullen vertrekken of in elk geval in de verwachting dat de bevolking dermate onder druk is gezet dat ze elk extreem voorstel zullen accepteren. Overigens wordt de bezetting van Gaza voortgezet in de vorm van een ‘‘feitelijk beleg,’’ aldus de VN. ‘‘In 2006 hebben de Israëlische Strijdkrachten ongeveer 14.000 artillerie granaten op de Gaza Strook afgevuurd, die verantwoordelijk waren voor het doden van 59 personen, bijna allen burger. Tenminste 284 Palestijnen werden gedood omdat ze zich voortbewogen binnen de 150 meter zone van het hek met Israël, 117 van hen waren burger, van wie 23 kinderen.’’ De VN-organisatie constateert in augustus 2007: ‘‘Onder de meest opvallende ontwikkelingen zijn: het dalende aantal gedode Israëli’s’’ en ‘’een voortdurend hoog dodencijfer van Palestijnse volwassenen en kinderen vooral in de Gaza Strook… De meeste van degenen die gedood werden in het conflict waren burgers niet betrokken bij de gevechten. Het opzettelijk mikken op burgers wordt in alle omstandigheden door het internationaal recht nadrukkelijk verboden… Personen beschermd onder het bezettingsrecht worden beschouwd als burgers… Er zijn Palestijnse burgers, vooral op de Westbank, overleden omdat ze geen medische behandeling konden krijgen door vertraging of obstructie bij de controleposten.’’

1 | 2 | 3 | 4 | 5