|
De twee voornaamste componenten van onze identiteit zijn het feit dat we Palestijn zijn én Arabier. Maar terminologie is in dit land zeer gevaarlijk, want het benoemen van de ander bepaalt ook onmiddellijk zijn status. De joods-Israeli’s zullen dan ook nooit van de Palestijnse minderheid spreken. Ze noemen ons Israëlische Arabieren. En zelfs dat gaat voor hen al heel ver. Als u statistieken leest dan heeft men het altijd over joden en niet-joden. En dat komt omdat vanaf het allereerste begin de zionisten weigeren te erkennen dat er andere nationaliteiten in Israël leven. Voor hen is het enige volk dat hier leeft het joodse. Wij zijn dus geen Palestijnen en geen Arabieren, maar niet-joden. Onze identiteit wordt niet erkend. Wij zien onszelf als de Palestijnse Arabische minderheid in Israël en door al het racisme voelen we ons geen Israëli’s. Een van de belangrijkste beheersingsmechanismen is het onderwijs. Tot 1996 was het plaatsvervangende hoofd van het Arabisch Onderwijs een employee van de Algemene Veiligheids Dienst. Het schoolhoofd kon alleen na de goedkeuring van de geheime dienst worden benoemd. En vandaag de dag wordt die benoeming nog steeds gecontroleerd door de inlichtingendienst, maar nu op een verhulde manier. Het onderwijs is onderdeel van de fragmentatie en beheersing van de Palestijnse minderheid.
Om terug te komen op het onderwerp van de militaire dienstplicht als een manier om te discrimineren: sinds 1956 bestaat er een uitzondering. Toen werd via een speciale wet bepaald dat de Druzen moesten dienen. Maar er is nog een andere groep die een speciale behandeling krijgen en dat zijn de orthodoxe joden die weigeren in krijgsdienst te gaan. Die zouden dus ook niet in aanmerking moeten komen voor die speciale rechten. Dat losten de zionisten als volgt op: een orthodoxe jood krijgt tegen zijn achttiende jaar het bevel zich te melden bij het registratiekantoor van de militairen. Daar laat hij zien dat hij op een yeshiva studeert, een joodse religieuze school, en vervolgens krijgt hij niet alleen een vrijstelling maar ook een militair nummer. Aangezien iedereen met een militair nummer in aanmerking komt voor de speciale privileges, is het duidelijk dat het hier een regeling betreft om Arabische burgers buiten te sluiten. Die krijgen geen bevel om zich te melden waardoor die bij voorbaat buiten gesloten worden en aldus gediscrimineerd. Een ander voorbeeld van verborgen discriminatie is het feit dat geen van de officieel aangewezen ontwikkelingsgebieden in Israël Palestijnse dorpen bevat. Alleen joodse gemeenschappen kunnen een beroep doen op de gunstige belastingregelingen en andere financiële voordelen. En ook op het gebied van de werkgelegenheid wordt op grote schaal gediscrimineerd. De goed betaalde banen in het bedrijfsleven en in het ambtelijke apparaat gaan naar joods-Israeli’s. De hoge posten worden doorgans ingenomen door mensen uit het leger. De werkgelegenheid is een voorbeeld bij uitstek van racisme. Een bedrijf dat een secretaresse zoekt vraagt een secretaresse die haar militaire dienstplicht al heeft vervuld. Op die manier laat men weten dat Palestijnen niet hoeven te solliciteren. Let wel, het gaat hier niet om banen die iets te maken hebben met de veiligheidsindustrie. Wij schrijven daar nu een rapport over. Winkelcentra vragen om personeel die de krijgsdienst achter de rug hebben. Palestijnen solliciteren niet eens meer, die weten bij voorbaat dat ze niet worden aangenomen, aangezien het joods-zijn voorwaarde is voor de baan. Dat de cultuur van racisme in alle lagen van deze samenleving is doorgedrongen is helemaal niet verwonderlijk. Als discriminatie en racisme bij wet geregeld zijn en door de staat officieel worden toegepast, waarom zouden particulieren dan niet discrimineren, zowel publiekelijk als in hun privé-sfeer? De Knesset heeft in het verleden wel wetten aangenomen die een voorkeursbehandeling geven aan vrouwen, maar zodra het op Palestijnen aankomt, is er niets. Zodra het gaat over het joodse karakter van de staat dan vormen de rechtbanken in Israël onderdeel van het systeem. Dan vergeten de rechters ineens de democratische waarden, steunen ze de rechtsongelijkheid, en reageren ze alsof de veiligheid van de staat wordt bedreigd.’ Die houding wordt nog eens onderstreept door de woorden van Aharon Barak, de voormalige president van het Israëlisch Hoog Gerechtshof, een volgens de International Herald Tribune ‘internationaal gerespecteerde jurist’, die momenteel docent is aan de prestigieuze Yale Law School in de Verenigde Staten. Zonder te haperen definieerde deze rechtsgeleerde zijn eigen land aldus: ‘De Joodse staat is de staat van het Joodse volk… het is een staat waarnaar elke jood het recht heeft terug te keren… het is een staat waar de taal Hebreeuws is en de meeste van zijn feestdagen zijn nationale wedergeboorte vertegenwoordigen… een Joodse staat is een staat die een Joodse cultuur ontwikkelde, Joods onderwijs en een liefdevol Joods volk… een Joodse staat ontleent zijn waarden aan zijn religieuze erfenis, de Bijbel is de het meest wezenlijke van zijn boeken en de Israëlische profeten vormen de basis van zijn moraliteit. Een Joodse staat is tevens een staat waar de Joodse Wet een veelbetekenende rol speelt… een Joodse staat is een staat waarin de waarden van Israël, Torah, Joodse erfenis en de waarden van de Joodse halacha [religieuze wet] de basis vormen van zijn waarden.’ Duidelijk uit deze definitie van de ‘internationaal gerespecteerde jurist’ is dat in de ‘joodse staat’ geen enkele plaats is voor niet-joden. Het maakt de voormalige president van het Israëlisch Hoog Gerechtshof niet uit dat de oorspronkelijke bewoners van Israël, eenvijfde van zijn inwoners, niet-joods is en zo permanent gediscrimineerd wordt door in wezen racistische rechtsregels.
1 | 2 | 3 | 4 | 5
|