|
Mohammed Zeidan: ‘Mijn echtgenote kreeg na ons huwelijk geen toestemming van het ministerie van Onderwijs om te werken aangezien ze een bedreiging zou zijn voor de staatsveiligheid. Off the record kregen we van een functionaris te horen dat het geen zijn had om dit besluit aan te vechten, want het verbod zou gehandhaafd blijven. Bijna 5 jaar lang hebben we tegen dit besluit gevochten, zowel via het recht als via de politiek. Op een bepaald moment werd een progressieve minister van Onderwijs publiekelijk gevraagd waarom mijn vrouw niet mocht werken. De minister zei: ‘Geef me het dossier en ik zal het bekijken.’ Aangezien ik aanwezig was gaf ik dat dossier onmiddellijk. Drie maanden kreeg ze van de minister toestemming om te werken. Weer drie maanden later was ze zwanger en werd ontslagen. Opnieuw stapten we naar de rechter, want zwangerschap is geen legale reden voor ontslag. Tijdens de rechtzaak werd een speciaal besluit van het ministerie van Werkgelegenheid aan de rechter overhandigd, waarin bepaald werd dat mijn echtgenote ontslagen mocht worden vanwege gevaar voor de staatsveiligheid. Mijn vrouw is geen terroriste, is nooit verhoord, heeft nooit gevangen gezeten, maar mocht niet werken omdat ze politiek actief was geweest op de universiteit en omdat ze met mij is getrouwd en ik het overheidsbeleid met juridische middelen aanval. Dit is een simpel voorbeeld hoe een besluit van een minister van Onderwijs vernietigd kan worden door een onwettige beslissing van een ander ministerie. De rechtbank oordeelde dat het weliswaar een unieke situatie betrof, maar dat het ontslag rechtmatig was. Om mijn verhaal af te ronden, naast de legale en verborgen discriminatie, is er nog een derde categorie, namelijk de geïnstitutionaliseerde discriminatie, de discriminatie die niet op de wet is gebaseerd en die tot uitdrukking komt in begrotingen, het toewijzen van gelden waarbij de Palestijnen stelselmatig worden benadeeld. En de vierde categorie is de discriminatie in het openbare leven, op straat, in winkels, in bars, overal waar joden Palestijnen tegenkomen. Het geweld van joods-Israëli’s tegen hun Palestijnse landgenoten wordt steeds extremer, hun haat tegen niet-joden groeit met de dag. Ik vind dat de meest gevaarlijke vorm van discriminatie omdat we er overal en permanent mee worden geconfronteerd, het blijft niet beperkt tot overheidskantoren.
Ik heb de sterke indruk dat een groot deel van de Palestijnse Autoriteit onder Mahmoud Abbas onderling besloten heeft om het Palestijnse recht op terugkeer op te geven. Dat wil zeggen: daarover een compromis te sluiten die de schijn moet wekken dat het recht op terugkeer blijft bestaan, maar dat in de praktijk geen enkele wezenlijke inhoud meer zal hebben. In werkelijkheid zullen slechts zeer weinigen er aanspraak op kunnen doen, bijvoorbeeld alleen in sommige gevallen van familiehereniging. Van een onvoorwaardelijk recht zal dan geen sprake meer zijn. Gezien hun politiek ben ik ervan overtuigd dat voor de huidige Palestijnse Autoriteit het recht op terugkeer geen doorslaggevend onderwerp voor een rechtvaardige vrede meer is. Ze zien het eerder als een groot obstakel, zo weet ik via eigen contacten. Bovendien hebben eerdere onderhandelingsresultaten, van Oslo tot nu, uitgewezen dat het recht op terugkeer geen belangrijke discussiepunt is. Dat recht wordt ook niet door de onderhandelingsdelegatie als cruciaal bestempeld. In wezen kijkt het huidige Palestijnse leiderschap, onder aanvoering van Abbas, er op een zelfde manier tegenaan als de Israëli’s. Dat verzwakt onze positie tegenover de internationale gemeenschap in ernstige mate. En dat is contraproductief, want een van de meest essentiële dingen die alle Palestijnen bindt is juist het recht op terugkeer. Ook al is iemand zelf niet verdreven dan nog is er een familielid dat wel etnisch gezuiverd is. Bijna iedere familie in en buiten de groene lijn is erdoor getroffen. Ik geloof dan ook niet dat zonder een rechtvaardige oplossing van dit vraagstuk vrede mogelijk is. Als jurist ben ik van mening dat het recht op terugkeer niet onderhandelbaar is, het is een onvervreemdbaar recht dat in internationale rechtsregels verankerd ligt. Dat kan niet verkwanseld worden omdat het politiek ongelegen komt. Daarnaast heeft de wereldgemeenschap dit recht benadrukt in VN-resoluties. En tenslotte moeten internationale normen en waarden worden nageleefd. Ondanks dit alles weten we dat het recht niet van doorslaggevend belang is voor politici. Uit eigen ervaring weet ik dat als je bij de Europese Unie in Brussel aanklopt, je doorgestuurd wordt naar de regeringen van de aangesloten landen. En op hun beurt sturen die je weer door naar Brussel. Iedereen probeert de verantwoordelijkheid af te schuiven. Ondertussen geniet Israël als geen ander land een voorkeursbehandeling bij de Europese Unie. En de steun aan Israël die daaruit voortvloeit, blijft almaar toenemen. Het wonderlijke is dat naarmate de Israëlische schendingen van de mensenrechten en bijvoorbeeld de Conventies van Genève toenemen de status van de ‘joodse natie’ in de Europese Unie almaar verbetert. Wij Palestijnen in Israel begrijpen niet waarom, maar het is een feit dat sinds de Associatie Overeenkomst met Israël in 2000 van kracht werd de banden met de EU steeds hechter worden. Israël wil in de toekomst een status bereiken die ongeveer gelijk staat aan officieel lidmaatschap. Dat is enerzijds een goede ontwikkeling, aangezien het duidelijk maakt hoe afhankelijk het is van Europa, maar anderzijds is het bijzonder alarmerend dat mensenrechten daarbij geen enkele rol van betekenis spelen. Ondanks alle mooie politieke woorden, zijn de mensenrechten hier niets waard zodra het om implementatie gaat. De houding van Europa is problematisch, de mensenrechtenclausules zijn in de praktijk alleen maar cosmetisch. Er wordt niet echt geluisterd naar de klachten vanuit de civil society in Israël en Palestina. Ondertussen schendt de EU haar eigen verdragsregels en haar eigen democratische normen en waarden. In artikel 2 van de Associatie Overeenkomst staat expliciet: ‘Betrekkingen tussen de Partijen, zowel als de voorwaarden van de overeenkomst zelf, zullen zijn gebaseerd op respect voor mensenrechten en democratische principes, die als leidraad dienen voor hun binnenlandse en internationale politiek en vormen een wezenlijk element van de Overeenkomst.’ Men hoeft de rapporten van Amnesty International, Human Rights Watch of van de VN-rapporteur professor Dugard maar te lezen en men weet hoe grootschalig de Israëlische mensenrechtenschendingen hier, in deze regio, zijn. En toch weigert de Europese Unie zich aan de eigen verdragsregels te houden, en daadwerkelijke stappen te ondernemen.
1 | 2 | 3 | 4 | 5
|